Een boekenshop voor katholieke inspiratie Verzending binnen heel BelgiëPapers over actuele onderwerpen

Is het geloof redelijk?

16 januari 2013

 

In dit Jaar van het Geloof is het goed zich de vraag te stellen of het werkelijk redelijk is te geloven. Is geloven een daad die het menselijk verstand waardig is? Dit is trouwens één van de voornaamste bezwaren van atheïsten en agnostici: “Jullie stellen dingen die jullie niet kunnen bewijzen, jullie over-treden de rede, dus is jullie geloof onredelijk.”

 

 

Gaat het geloof noodzakelijkerwijs het verstand te boven?

Het geloof overschrijdt inderdaad de rede als men onder rede het vermogen verstaat om de dingen te “meten” met volmaakte kennis van zaken. Etymologisch komt het Franse woord “raison” trouwens van een Latijns werkwoord (reor,ratus) dat “tellen” of “rekenen” betekent. We vinden het uitdrukkelijk terug in het zelfstandig naamwoord “ratio”.

 

Het is duidelijk dat de uitspraken van het geloof verder gaan dan wat we kunnen meten met ons verstand, zelfs in zijn ruimste betekenis. Zo gaat de uitspraak dat God Drie-eenheid is of dat de verrijzenis van Jezus bron van heil is voor de wereld zeer zeker de wetenschappelijke rede te boven. Hoe zouden deze waarheden experimenteel kunnen onderzocht worden volgens de criteria van de wetenschap? Maar die waarheden overstijgen ook het domein van de filosofische rede, dat reeds veel ruimer is dan de wetenschappelijke. Enkel een woord dat van verder komt dan onze rede en dat ontvangen is in “geloof”, kan het intieme mysterie van God ontsluieren of de ultieme draagwijdte van het paasgebeuren openbaren.

 

Men moet dus toegeven: het geloof dat de rede overstijgt is “boven-redelijk”. En daar moet men blij om zijn! Inderdaad, om een woord van Pascal over te nemen: “De mens overstijgt oneindig de mens”, zodat alleen wat ons overstijgt ons voldoet. Slechts wat de menselijke maat te boven gaat, is werkelijk op onze maat. De Grieken al zagen deze paradox wanneer ze de mens omschreven als een “grens-wezen”, dat staat in een wankel evenwicht tussen goden en dieren. De goden zijn in zichzelf volmaakt in hun gelukzalig bestaan. Op hun manier zijn ook de dieren voldaan zodra ze in hun normale omgeving vinden wat nodig is voor hun bestemming.

 

oor de mens is dat niet zo. Enerzijds is hij in zichzelf niet onmiddellijk goddelijk voltooid, en anderzijds geeft ook zijn dierlijk wezen hem geen voldoening. Er is meer in hem, zodat wat op zijn maat is, niet bij machte is hem te vervullen. Zelfs ongelovigen zijn vaak aanhangers van een zekere transcendentie, niet die van God, maar van een ideaal dat de mens boven zichzelf trekt en niet helemaal door hemzelf meetbaar is. En ook veel agnosten staan weigerachtig tegenover een te enge rede dat zich a priori afsluit voor een mysterie dat haar overstijgt.

 

Het is bijgevolg onlogisch bang te zijn als het geloof zich aandient als “boven-redelijk”. Het is veeleer een onmisbare voorwaarde als het geloof de mens tot zijn authentieke voltooiing wil brengen. Al wat louter rationeel zou zijn is, op de keper beschouwd, onbeduidend. Alleszins op existentieel vlak.

 

De noodzaak van een redelijk geloof

Het volstaat echter niet dat een werkelijkheid zich aandient als boven-redelijk om de mens waardig te zijn of hem te kunnen vervullen. Dan loopt men het gevaar het boven-redelijke aan het onredelijke gelijk te stellen. Het boven-redelijke is een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor die authentieke “boven-maat” die op maat is van de mens. Daarom moet men benadrukken dat het geloof, dat weliswaar boven-redelijk is, ook redelijk moet zijn (de rede waardig), wil het authentiek menselijk zijn. Zo niet, dan zou het geloof niet meer op heilzame wijze onze te simpele rede kunnen overstijgen, maar zou het ten onrechte verward worden met de negatie van de rede: het geloof zou dan niet meer een verruiming van de rede betekenen, maar deze uitschakelen.

 

Een voorbeeld: de vriendschap

Een voorbeeld uit het dagelijkse leven kan ons helpen. Het religieuze geloof is als het vertrouwen dat een mens aan een ander schenkt in de ervaring van vriendschap of liefde. Ook de liefde is boven-redelijk, en gelukkig maar! Het is een povere vriendschap die volledig door de rede bepaald wordt en die niet meer is dan het logische besluit van een dwingende redenering: “Jij bezit alle eigenschappen die ik verlang… dus heb ik je lief!” Het is wezenlijk voor de menselijke liefde dat deze niet louter een zaak is van luciditeit en dus door meer gedragen en bewogen wordt dan louter klaar inzicht.

 

Maar al is de liefde meer dan een kwestie van rationeel helder inzicht, toch is de ideale liefde niet blind en dwaas. Toegegeven, de geliefde blijft voor mij steeds een mysterie, maar juist naarmate ik de ander werkelijk “ken”, ontdek ik hoezeer hij of zij voor immer mysterievol is. En omgekeerd: wie de ander niet werkelijk kent, beeldt zich ten onrechte in hem helemaal door te hebben, helemaal tot hem of haar te zijn doorgedrongen. En laat aldus blijken hem of haar te miskennen. Echte liefde erkent dus het onpeilbare mysterie van de ander, precies omdat ze hem of haar werkelijk kent.

 

We kunnen dit verbreden en besluiten dat ware liefde zeker de koude objectieve kennis, die men heeft van een ander, overschrijdt, maar toch niet te herleiden is tot een ondoordachte inval. Wie echt bemint, weet waarom hij bemint, zelfs indien zijn liefde meer is dan de kennis die hij heeft. “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent”, zoals Pascal zei. Maar die redenen van het hart, die het rationele overschrijden, zijn nog steeds… redenen. Hetzelfde geldt analoog voor het religieuze geloof: om de mens en zijn rationele autonomie waardig te zijn, moet het geloof redenen hebben om dat te verkondigen wat het vermogen van de zuivere rede overstijgt. Hoewel boven-redelijk moet het geloof redelijk zijn.

 

Interpersoonlijke communicatie: getuigenis en vertrouwen

Het voorbeeld van de liefde suggereert dat er in alle menselijke relaties, zoals in het religieuze geloof, een mengeling is van boven-redelijk vertrouwen en helder redelijk inzicht. De bewijsvoering kan nog worden uitgebreid door beroep te doen op een dagelijkse ervaring, deze van de communicatie tussen personen.

 

Er zijn talrijke middelen die ons toelaten te weten wat er omgaat in een ander: zijn spontane fysieke reacties en, nog duidelijker, zijn gedrag en zijn gebaren. Doorheen deze laatste ontwaren we meer van iemands innerlijk.

 

Maar de intermenselijke communicatie zou erg schamel zijn, als ze zou beperkt blijven tot gebaren. Voor de mens is de meest doeltreffende communicatie de gesproken taal, het goed gesproken woord. Wat kunnen wij niet uitdrukken met de magie van woorden! Anders dan bij gebaren en reflexen legt de menselijke taal hier eigenmachtig de band tussen de uitgedrukte gedachte en haar verbale uitdrukking. De sprekende mens is bijgevolg in zijn woorden sterk meester van zijn zelfcommunicatie.

 

Door haar oneindig subtiele souplesse maakt de taal uitwisselingen mogelijk die geen enkel ander expressiemiddel kan weergeven. Maar anderzijds laat de taal ook de ergste leugens toe, omdat onze gesprekspartner slechts zelden van buitenaf het verband kan onderzoeken dat we leggen tussen onze intieme gedachten en de woorden die we uitbrengen. Daarom neemt bij de mens de meest onthullende taal, die van het woord, steeds de vorm aan van een “getuigenis”: een verklaring die niet onmiddellijk kan gecontroleerd worden en dus van de toehoorder een zekere houding van vertrouwen of geloof vergt.

 

Dit geldt bij uitstek als iemand ons persoonlijke confidenties doet over zijn of haar intiem leven. In wezen kunnen we die “getuigenis”, die “onthulling” van zichzelf slechts “geloven”. We zijn niet bij machte deze vanbuiten af ten gronde te onderzoeken. Elke authentieke menselijke communicatie is aldus boven-redelijk: zij ontsnapt aan een uitwendige exhaustieve verificatie. Wij moeten de “getuigenis” van de ander “geloven”. En over het algemeen moeten we er ons over verheugen. Tot welke povere kennis van anderen en van de wereld zouden we herleid zijn als we ons uitsluitend zouden beperken tot die kennis die met onze eigen mogelijkheden kunnen opbouwen…

 

Toch moet het vertrouwen dat wij anderen schenken, niet blind zijn. En indien we redenen hebben om te geloven dat de ander zich vergist of ons bedriegt, moet men dat met de beschikbare middelen verifiëren door andere informatiebronnen uit te kienen. Elke “revelatie” tussen mensen vraagt aldus een boven-redelijk “geloof” in een “getuigenis”. Maar tegelijkertijd moet dat “vertrouwen”, als het onze rede waardig wil zijn, verlicht zijn en dus redelijk.

 

Woord van God, openbaring en geloof

Waarom zou het niet hetzelfde zijn voor het religieuze geloof? Sommigen zijn verbaasd dat een geloofsdaad nodig is in een zaak die de bestemming van mens en wereld aangaat. Welnu, slechts wat existentieel onbeduidend is, kan perfect door de rede geverifieerd worden (zoals een elementaire fysische vaststelling of een wiskundige stelling). Van zodra we het hoogst betekenisvolle domein van de intermenselijke communicatie betreden, speelt een zeker vertrouwen in het revelerend woord van de ander mee. Wat dan te zeggen als het God is die spreekt! Als het woord dat van zichzelf getuigt in de geschiedenis niet alleen een mensenwoord is, maar het woord van de absolute Persoon (oneindig veel ondoorgrondelijker dan een menselijke persoon), is het niet verwonderlijk dat men moet “geloven” om dit onvergelijkbare “getuigenis” te verwelkomen en zijn verstand te verrijken met deze “geopenbaarde waarheid”.

 

Als godsdienst zin heeft, kan die slechts steunen op een boven-redelijk geloof. Toch moet het geloof in een religieuze openbaring verlicht zijn en redelijk. Als God bestaat en tot ons “spreekt” in de geschiedenis, kan Hij zich echter niet vergissen noch ons bedriegen. Zo niet, dan zou Hij niet echt God zijn. Maar God spreekt niet rechtstreeks tot ons en zijn bestaan zelf is niet onmiddellijk vanzelfsprekend. Het zijn complexe tekenen die ons overtuigen van zijn bestaan en het zijn opgebouwde menselijke getuigenissen (de Kerk, de Traditie, de Schrift) die beweren dat Hij ons aanspreekt in de geschiedenis. Om de menselijke rede waardig te zijn, vraagt dit alles onderzoek waar het mogelijk is. We kunnen het Woord van God niet vanbinnen uit onderzoeken. Maar we moeten redenen hebben om te denken dat God ons in dit gebeuren (de uitverkiezing van Israël, het leven van Jezus, enzovoort) het mysterie van zijn meest intieme leven heeft meegedeeld. We komen terug op het besluit dat ons betoog samenvat: van nature boven-redelijk moet het religieuze geloof tegelijkertijd redelijk zijn, wil het zowel zijn subject als zijn object waardig zijn.

 

Deze tekst werd in het tijdschrift Pastoralia van januari 2013 gepubliceerd.