Dé boekenshop voor katholieke inspiratie Verzending binnen heel BelgiëPapers over actuele onderwerpen

De christelijke familie, een baken in de nacht

24 september 2022

Wat is de plaats van de familie in de nieuwe evangelisatie?

Het huidig klimaat

De “midlifecrisis”, de “crisis van de veertigers” is achterhaald. Nu worden we geconfronteerd met de “quarterlife crisis”, een existentieel gevoel van onbehagen dat een meerderheid van jonge volwassenen tussen 25 en 35 jaar lijkt te treffen. De eersten die erover spraken waren de Amerikanen Alexandra Robbins en Abby Wilner in hun boek: Quarterlife Crisis, the Unique Challenges of Life in Your Twenties, gepubliceerd in 2001. Deze crisis wordt gekenmerkt door demotivatie, een verwoede zoektocht naar zingeving, een dorst naar persoonlijke ontplooiing: zelfs met een diploma op zak, zelfs met een goede job, weet men niet wat men met zijn leven moet aanvangen.

Wat aanvangen met ons leven? Waarom dit gebrek aan motivatie? Tijdens de homilie van de mis bij het begin van het conclaaf, op 18 april 2005, sprak kardinaal Ratzinger, toekomstige paus Benedictus XVI, deze beroemde woorden: Wij zijn op weg naar een dictatuur van het relativisme dat niets als zeker erkent en dat als hoogste doel heeft zijn eigen ego en zijn eigen verlangens. Deze uitdrukking — dictatuur van het relativisme — plaatst ons in het hart van de hedendaagse crisis.

Veel mensen voelen vaag aan dat we in een soort overgangsperiode, een keerpunt in de geschiedenis leven. Maar ze kennen er het motief niet van. Sinds de Renaissance bleven de pretenties van de menselijke rede maar groeien, en creëerden grote filosofische en ideologische bewegingen, die ons vaak naar volledige mislukking geleid hebben. De 20ste eeuw was de meest moorddadige eeuw van de geschiedenis, met twee wereldoorlogen, meerdere genocides, de legalisering van abortus, de voorbereiding voor de euthanasiementaliteit. Marxistische en nationaal-socialistische ideologieën zijn verantwoordelijk voor tientallen miljoenen doden. Een zekere ultra-liberale kapitalistische ideologie doodt ook, op meer subtiele wijze, door het geweten en de diepste aspiraties van de persoon te verstikken in naam van enkel en alleen het profijt.

Tegenwoordig heeft de ontbinding van de ideologieën (Benedictus XVI, Via Crucis 2005) geleid tot een soort afwijzing, weerzin tegenover iedere aanspraak op waarheid, tegenover ieder gezag. De politieke wereld heeft iedere geloofwaardigheid verloren, evenals de Kerk, het ouderlijk gezag, enz. Alleen de zogenaamde “exacte” wetenschappen mogen aanspraak maken op de waarheid van wat bewezen is door de wiskunde of wetenschappelijke experimenten. Al het andere is enkel smaak, opinie of persoonlijk gedacht. Er is geen ideaal meer: als niets werkelijk waar is, niets werkelijk goed is, is niets nog de moeite waard om zich te engageren. Er is tegenwoordig een enorm gebrek aan hoop. In meer alledaagse termen zou men spreken van een gebrek aan “motivatie”. Waarvoor zou men per slot van rekening moeten leven? Wanneer niets nog echt de moeite waard is, is men na een tijdje alles beu.

Meer fundamenteel, als er geen waarheid meer is, is er geen vrijheid meer, geen vermogen meer om te beminnen. Want vrijheid is het in staat zijn zich te geven aan wat waar en goed is. Waarom zien wij zoveel jongeren aarzelen om zich te lanceren in het leven? Waarom zijn zoveel jonge echtparen, zoveel jonge roepingen voor de Kerk zo kwetsbaar? Waarom beperken wij alles tot ons eigen belang, tot utilitaristische berekening, tot zelfs de mooiste werkelijkheid, de liefde, gereduceerd tot erotiek, tot ongebreideld zoeken naar zinnelijk genot, terwijl men tracht alle seksuele ervaringen te rechtvaardigen, zelfs de laagste?

De menselijke rede is ziek, met het gevaar, zoals voor alle pathologieën van de rede, dat we zelfs niet meer in staat zijn het te beseffen: zoals een dove niet kan horen dat hij doof is, zo aanvaardt de relativist zijn relativisme niet, omdat hij het relativeert.

Geloof geneest de rede

Tegenover deze diagnose, herinnerde Benedictus XVI eraan dat (…) de boodschap van het christelijk geloof (…) een zuiverende kracht voor de rede zelf is, die haar helpt om steeds meer zichzelf te zijn (toespraak aan de Universiteit La Sapienza, 17-1-08). Wij denken vaak dat het geloof de rede in staat stelt in te stemmen met de waarheden die haar te boven gaan, een soort premium versie van de rede. Het is waar, maar het geloof is in de eerste plaats een genade, een goddelijke, bovennatuurlijke kracht van genezing, van zuivering, van verheffing voor de menselijke rede. Het tegengif voor het diepe kwaad van het relativisme is het geloof.

Het geloof is een gave van God. En dan moet men nog bereid zijn om die gave te vragen en ze te ontvangen. Zoals reeds gezegd: velen van onze tijdgenoten bekijken de Kerk met wantrouwen en verwarren het christelijk geloof met een ideologie tussen zoveel andere, een product van de menselijke rede, dat geen enkel vertrouwen meer verdient. Dat is een enorm misverstand, want het geloof berust op een openbaring van God, op een God die zich heeft laten kennen en zich aan ons gegeven heeft. Het geloof heeft niets te maken met een ideologie. Maar hoe dat doen inzien?

“Doen inzien” is geen onschuldige formulering: in het tijdperk van het relativisme moet men “laten zien” alvorens uit te leggen, men moet laten voelen alvorens te doen begrijpen, het hart raken alvorens het hoofd te beroeren, spreken over de kwestie van het geluk alvorens die van de waarheid aan te kaarten.

De eerste christenen

Hoe hebben de eerste christenen het gedaan? Zij waren erg in de minderheid — zoals de christenen vandaag — en leefden in een maatschappij die nog meer verdorven was dan de onze. Het Romeinse Rijk had in de eerste eeuwen van onze tijdrekening een te laag geboortecijfer, met name door de verspreiding van de abortuspraktijk en kindermoord. Het moest veel immigranten toelaten — die ze “barbaren” noemden — om te voorzien in de nood aan werkkrachten. Heel weinig mensen trouwden en de praktijk van echtscheiding was zeer algemeen.

Daartegenover — en volledig tegenstroom — waren er de christenen, verenigd in ‘huiskerken’, dat wil zeggen in families, gebaseerd op het onherroepelijke huwelijksverbond, trouw, open voor het leven. In deze families hadden man en vrouw dezelfde waardigheid en beleefden wat de heilige Paulus leerde in zijn brief aan de Efeziërs, namelijk dat hun huwelijk een deelname was in het Verbond van Christus en de Kerk.

Daarom was het christendom vooral heel erg aantrekkelijk voor de vrouwen. Veel bekeerde vrouwen hebben vervolgens hun mannen overgehaald. De rol van de vrouw in de Kerk is niet altijd wat men gelooft: hij kan en moet er soms in bestaan een of andere post in de kerkelijke structuur te bekleden, maar de vrouw is eerst en vooral het hart van de huiskerk; van de missionaire Kerk, in en door haar familie. Wat de mogelijkheid om de maatschappij van haar talenten in de professionele wereld te laten profiteren niet uitsluit.

Christelijke gezinnen waren een grote haard van evangelisatie, vooreerst door hun eigen vruchtbaarheid, vervolgens door de vreugde en de waarden die zij rondom zich uitstraalden: eerbied voor de vrouw, afwijzen van echtscheiding en polygamie, edelmoedig aanvaarden van het leven en verwerpen van abortus.

Rodney Stark, professor sociologie en vergelijkende godsdienstwetenschap aan de Universiteit van Washington, benadrukt in zijn boek The Rise of Christianity het belang van de openheid van de eerste christelijke families: in plaats van zich van de buitenwereld af te sluiten, vormden zij het hart van een zeer uitgebreid netwerk van contacten en vrienden, een fijnmazig net voor persoonlijke vriendschappen.

Het gezin, “beeld” van God

Het gezin maakt God zichtbaar en geloofwaardig, want God zegt: Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; (…) God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak tot hen: “Wees vruchtbaar en word talrijk” (Gen. 1, 26a.27.28a).

Wij hebben in een ander artikel onderzocht waarin het echtpaar en het gezin als de afdruk beschouwd worden die God op aarde en in het hart van elke mens heeft achtergelaten. In een wereld zonder perspectieven, belichaamt het gezin de hoop, die in wezen het geloof in de absolute liefde van God voor ons is. De familie “toont” Gods Liefde voor ons, en maakt haar geloofwaardig.

Daarom staat, in een wereld zonder God, de familie midden in een titanenstrijd. Kardinaal Caffarra legt uit dat er een denkrichting is die tracht het huwelijk stukje bij beetje te ontmantelen: het is niet langer de verbintenis tussen een man en een vrouw (homohuwelijk); het is geen oproep tot trouw meer (overspel wordt alledaags); het is niet meer voor altijd (veralgemening van de echtscheiding); het is niet langer de plaats om nieuw leven te laten geboren worden (anticonceptiementaliteit). Voor velen is het eenvoudigweg niet meer nodig (samenwonen).

Toch hebben wij een geweldige bondgenoot: in alle harten weerklinkt de echo van Gods oorspronkelijk plan, de echo van de waarheid over de menselijke liefde. Iedereen verlangt naar geluk en iedereen weet — diep van binnen, daar waar men zich niet meer voor de gek kan houden — dat men het enkel vindt in een grote liefde, in de gave van zichzelf.

Het gezin is bron van geluk en school van geloof en liefde, school van gebed, kracht voor verandering in de maatschappij. De heilige Teresa van Calcutta zei: Indien je de wereld wil veranderen, ga naar huis terug en bemin je familie.

Christen zijn in een geseculariseerde wereld

De huiskerk die reeds in eigen kring bezield wordt door een missionaire geest, wordt ertoe gedreven om een lichtend teken te zijn van de tegenwoordigheid van Christus en van zijn liefde, ook voor degenen die “ver weg” zijn, voor gezinnen die nog niet geloven, en voor christelijke gezinnen die niet meer leven overeenkomstig het geloof dat zij ontvangen hebben: de huiskerk is geroepen “door haar voorbeeld en getuigenis” om “hen die de waarheid zoeken” te verlichten.(heilige Johannes Paulus II, apostolische exhortatie Familiaris Consortio, nr. 54).

Hier nog enkele kenmerken van dat “lichtend teken van de tegenwoordigheid van Christus”:

– dat de familie op haar levensweg vertrouwt op de GPS van het gebed, de brandstof van de Eucharistie en het garagebedrijf van het sacrament van de biecht.

– dat de families, fundamentele cellen van de maatschappij en van de Kerk, weefsels van families vormen, die op elkaar steunen, voornamelijk in parochies, maar ook binnen instellingen of bewegingen van de Kerk.

– dat families zich verenigen om hun rechten in de maatschappij te verdedigen.

– dat de ouders waken over de opvoedkundige driepoot familie-school-jeugdbeweging door er een actieve rol te spelen, door zelf scholen op te richten en gelegenheden voor vormende vrijetijdsbestedingen voor hun kinderen.

– dat de families de roepingen van hun kinderen positief zouden aanvaarden: dezen zijn geschenken van God, geen persoonlijk bezit. Niets is droeviger dan zogenaamd christelijke ouders die zich verzetten tegen de roeping van hun kinderen.

– dat de familie een plaats van gastvrijheid en initiatieven is: Onder de verschillende werken van het gezinsapostolaat willen wij de volgende noemen: het adopteren van verlaten kinderen, het liefdevol opnemen van vreemdelingen, bijdragen tot een goede leiding van de scholen, jonge mensen helpen met raad en materiële steun, de verloofden terzijde staan in een goede voorbereiding op het huwelijk, het catechetisch onderricht bevorderen, gehuwden en gezinnen, die in materiële of morele nood verkeren, bijstaan, aan de ouden van dagen niet alleen het noodzakelijke levensonderhoud verstrekken, maar hen ook op billijke wijze laten profiteren van de vruchten van de economische vooruitgang. (Tweede Vaticaans Concilie, Apostolicam actuositatem, nr.11 )

– dat wij een grote nabijheid en veel begrip zouden tonen tegenover de mensen van wie het huwelijk mislukt is: De Kerk is onverzettelijk in haar principes, omdat zij gelooft, en tolerant in de praktijk, omdat zij liefheeft. De vijanden van de Kerk daarentegen zijn tolerant wat betreft de principes, omdat ze niet geloven, maar onverzoenlijk in de praktijk, omdat zij niet beminnen. De Kerk vergeeft zondaars, de vijanden van de Kerk rekenen zonden niet aan. (Réginald Garrigou-Lagrange).

Stefaan Seminckx is priester, doctor in de geneeskunde en in de theologie.