In het huidige debat over de verlenging van de wettelijke termijn, maskeert het inroepen van “de wetenschap” een morele keuze die in een democratie toekomt aan de burger, niet aan de experten. Een opinie gepubliceerd in “La libre Belgique” van 23-6-2026.
Er is geen elegantere manier om een morele keuze aan het debat te ontvreemden dan deze tot een wetenschappelijk feit te verklaren. “Laat de wetenschap beslissen, en niet de politiek” klinkt als een oproep tot terughoudendheid tegenover ideologie. In werkelijkheid is het echter de meest ideologische uitspraak in heel het abortusdebat: het verbergt een zeer omstreden waardenkeuze als eenvoudig meetresultaat.
Laat ons nauwkeurig zijn. De wetenschap beschrijft hoe een embryo zich ontwikkelt tot een foetus, vanaf welk moment een zenuwstelsel werkt en wanneer de levensvatbaarheid buiten de baarmoeder mogelijk wordt. Dat zijn feiten. Maar van geen enkel feit alleen vloeit een norm voort. Geen enkele echografie, geen enkel rapport van experten kan zeggen vanaf welk ogenblik het ongeboren leven wettelijke bescherming verdient: deze vraag is niet empirisch, maar ethisch en juridisch. Wie dit ontkent, doet niet aan wetenschap: achter zijn schild doet hij aan politiek zonder dat hij dat durft toegeven.
Een “neutraliteit” die er geen is
Men waarschuwt, terecht, tegen het idee om wetten te maken vertrekkend van “een enkel moreel wereldbeeld, vermomd als neutraliteit”. Maar dat men dat principe dan ook toepast. Abortus voorstellen als een eenvoudige “veilige en routinematige zorghandeling” is geen neutrale samenvatting van de geneeskunde: het is liberaal individualisme vermomd als medisch jargon. Dat de ingreep veilig is voor de vrouw, wordt door niemand aangevochten; dat is niet de kwestie. Het woord “zorg” veronderstelt dat er maar een patiënt is. Welnu weten dat er een tweede menselijk wezen is wiens belangen tellen, is juist de besproken kwestie die deze term schijnt opgelost te hebben. De “neutrale” visie die men aanklaagt bij de tegenstander, koestert men dus zelf.
De wetenschap is overigens minder unaniem dan men beweert. Dat de foetus pas pijn zou voelen na tweeëntwintig weken is geen bewezen feit, maar een interpretatie die een deel van de onderzoekers betwist, ook diegenen die vroeger de tegenovergestelde thesis verdedigden en die een veel vroegere perceptie niet uitsluiten. En de levensvatbaarheid is geen morele grens: het is een technologische grens, die verhuist naarmate de neonatologie vooruitgaat. Een kind dat men niet kon redden in 1990 en dat men redt in 2026 was toen niet minder menselijk.
Het minst willekeurige criterium
Als men het woord aan de biologie wil geven, dat men haar laat uitspreken. Het minst arbitraire criterium dat ze aanduidt, is de conceptie: vanaf dat ogenblik bestaat een afzonderlijk menselijk organisme, levend, voorzien van zijn eigen genoom. Twaalf, veertien, achttien weken zijn juist de punten waar de natuur geen enkele breeklijn zet, waar niets plots verschijnt dat de avond tevoren niet bestond. De drempels die een geleidelijke ontwikkeling voorstaan zijn dus niet wetenschappelijk: het zijn juridische compromissen.
Ik zal er geen geheim van maken, want ontwijken zou laf zijn: ik houd mij aan leven vanaf de conceptie. Niet uit sentiment, noch door religieuze overtuiging (die ik als katholiek onvoorwaardelijk aanhang), maar omdat de rede zelf geen enkel ander begin aanduidt waar de menselijke waardigheid zich ontvouwt zonder willekeur. Van de eencellige tot de pasgeborene loopt een enkele ononderbroken ontwikkeling, zonder enkele cesuur waarvan men met droge ogen zou kunnen zeggen: hiervoor nog geen mens; daarna wel. Wie de bescherming later zou willen plannen moet een grens stellen die de natuur nergens trekt, en de bewijslast rust op hem.
En de vader?
Eén figuur ontbreekt stelselmatig: de vader. De voortplanting is van nature een gedeelde realiteit: er is een kind, en dat kind heeft twee ouders. Nochtans herleidt het dominant discours de beslissing tot een strikt persoonlijke zaak, alsof de vader, het koppel en de familie niet zouden bestaan. Ik pleit niet voor een vetorecht voor de man: diegene die de zwangerschap doormaakt, draagt een last die de ander niet draagt, en haar komt tenslotte de finale beslissing toe. Dus ons recht behandelt de vader niet als een zwakkere stem, maar als een stemloze. En dat past niet met een familierecht dat dezelfde man verplicht tot achttien jaar onderhoud te betalen voor een kind dat hij niet wilde, terwijl hem elke inspraak ontzegd wordt over een kind dat hij wel wilde. Een verantwoordelijkheid zonder stem: op elk ander domein zouden we dat onrechtvaardig noemen.
Blijft het welgekend argument dat striktere wetgeving de praktijk “in de schaduw” duwt of “over de grens”. Maar het is geen argument over het recht; het is een prognose over de efficiëntie. En het bewijst te zeer: dat een verbod omzeild wordt, heeft nooit bewezen dat het onrechtvaardig was. Men herkent trouwens graag dat het gaat “om een onbekend aantal” vrouwen. In diezelfde zin kan men een cijfer niet als beslissend aanduiden en toegeven het niet te kennen.
Bij wie de beslissing ligt
Het fundamentele bezwaar blijft democratisch. Juist omdat redelijke burgers hier fundamenteel uiteenlopen, hoort deze kwestie thuis in het parlement; bij de verkozen vertegenwoordiger, niet in een commissie van experten zonder mandaat om te oordelen over leven en dood. De experten moeten de wetgever bijstaan met feiten; maar vanaf het moment dat zij een uitstel “aanbevelen”, overschrijden ze hun competentie en worden zij niet-verkozen wetgevers. Wanneer in het huidig debat, een minister bevestigt dat het niet de wetenschap is die de politiek bepaalt, heeft zij gelijk: in een democratie is het geen bewering, maar de essentie van zelfbestuur.
De wetenschap beschrijft het leven. Of we het zouden beschermen, en in welke mate (en wie inspraak heeft wanneer men erover beslist: de vrouw, het kind, de vader, de gemeenschap), blijft een keuze van het geweten en van de democratie. Mijn standpunt is duidelijk, en ik verberg het niet: bescherming begint bij de conceptie, omdat daar de mens begint. Dat wie een latere grens verkiest ervoor pleit, in een vrij land, maar omdat het de morele keuze is, en niet als het decreet van een wetenschap die over het essentiële zwijgt.
Werner-Édouard de Saeger van Nattenhaesdonck is advocaat bij de balie van Luik-Huy, hoogleraar recht aan de Universiteit van Hasselt en verbonden aan het Center for Bioethics van de Harvard Medical School. Bron: https://www.lalibre.be/debats/opinions/2026/06/23/avortement-la-science-ne-decide-pas-et-il-ne-lui-appartient-pas-de-le-faire-2CR7KUDNSBBETPIXN54WR3NZWY/. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.
