Humanae Vitae, veertig jaar later

Geschreven door Stefaan Seminckx op .

Verleden jaar werd de veertigste verjaardag gevierd van Humanae Vitae, de encycliek van Paulus VI over de geboorteregeling.  Hoe kunnen wij deze tekst vandaag begrijpen, in het licht van de leer van Johannes-Paulus II en Benedictus XVI?< Op 25 juli 2008 werd de veertigste verjaardag gevierd van Humanae Vitae(HV), de encycliek van Paulus VI over de geboorteregeling. Zelden heeft een pauselijke tekst zoveel reacties uitgelokt.

 

Het moeilijke onthaal is voor een deel te wijten aan de historische context waarin HV verschijnt. Voor de Kerk betekende 1968 het begin van het zgn. “post-conciliaire” tijdperk. De samenleving kende ook bewogen tijden, met de revolutionaire geest van mei 68 en de grote bezorgdheid over wat men toen de “demografische tijdbom” noemde. 

HV had ook lang op zich laten wachten. Haar richtlijnen spraken de conclusies tegen van een groep befaamde specialisten (de zgn. “groep van de meerderheid”, auteurs van een uitgelekt rapport van de “pauselijke commissie voor de problemen van de familie, het geboortencijfer en de bevolking” door Johannes XXIII opgericht in 1962).

Maar de context verklaart niet alles. Het is vooral het thema zelf van HV dat niemand onverschillig liet. Tenslotte gaat het om fundamentele vraagstukken die iedereen aangaan: de menselijke liefde, de betekenis van seksualiteit, de zin van de vrijheid en de moraal, het huwelijk.

Op deze veertigste verjaardag kan men zich de vraag stellen: heeft HV haar doel bereikt? Op het eerste zicht zou men geneigd zijn ronduit “neen” te antwoorden: haar leer vinden de meeste gelovigen onbegrijpelijk of onaanvaardbaar; anderen denken dat het een mooi maar onbereikbaar ideaal verkondigt. De encycliek heeft bij velen voor een ware breuk met de Kerk gezorgd.

Anderzijds groeit alle dagen de onvrede van de vrouwen over de pil. Hun reactie is ingegeven door medische bezwaren (waarover veel te weinig wordt geïnformeerd), maar ook door de diepe verstoring die de pil teweegbrengt in de relatie tussen man en vrouw. Bovendien is hormonale contraceptie ook een wapen geworden van rijke tegen arme landen, om de geboortes te beperken. Men heeft meer en meer de indruk dat de seksuele revolutie die de pil teweegbracht bittere gevolgen heeft, waarbij men ook echtscheiding kan rekenen. Deze gevolgen werden in 1968 door HV zelf voorspeld  [1]. Voor die reden bestempelden een aantal theologen deze encycliek terecht als profetisch.

  

Een profetisch document

  Maar er is m.i. een andere - diepere- reden om HV profetisch te noemen. De specifieke vraag die HV moest beantwoorden was niet zo zeer of contraceptie moreel aanvaardbaar is. Contraceptie is al sinds het begin van het christendom aanzien als immoreel  [2]. Maar gedurende eeuwen werd ze min of meer bewust gelijkgesteld met onanisme (coïtus interruptus) of mechanische middelen die het natuurlijke verloop van de huwelijksdaad verstoren.

Welnu, de in 1956 ontdekte progestagenen maken de vrouw onvruchtbaar, zonder te raken aan het spontane verloop van de seksuele daad. M.a.w.: voor een buitenstaander is een huwelijksdaad met of zonder pil precies dezelfde.

De vraag luidt dan: valt de “pil” onder de benaming “contraceptie”? Voor een aantal theologen is het antwoord “neen”. Voor hen volstaat de vaststelling dat de pil de huwelijksdaad in zijn “natuurlijk” verloop niet verstoort. En daarbij zien zij ook in hormonale contraceptie een bevestiging van de menselijke waardigheid, die geroepen is om met haar eigen vernuft de wetten van de “natuur” te sturen. 

Wat zegt HV zelf over de definitie van contraceptie? Men treft het antwoord in HV 14: “elke handeling die zich, hetzij voorafgaande aan de huwelijksgemeenschap, hetzij tijdens de voltrekking ervan, hetzij bij verloop van haar natuurlijke gevolgen, het verhinderen van de voortplanting ten doel zou stellen of als middel zou aanwenden”.

En de fundamentele reden om dat soort handelingen te verbieden ligt vervat in HV 12: “Deze leer, die door het kerkelijk leergezag herhaaldelijk is uiteengezet, berust op de onverbrekelijke band, die God heeft vastgesteld en die de mens niet uit eigen beweging kan breken, tussen de beide betekenissen die in de huwelijksdaad liggen besloten: eenwording en voortplanting”.

Het is hier niet de bedoeling het hele debat over HV te heropenen. Ik wil mij beperken tot een paar beschouwingen i.v.m. deze twee belangrijke passages van de encycliek.

De definitie die HV 14 van contraceptie geeft is doorslaggevend: het objectiveren van een morele daad kan nooit vanuit de positie van de buitenstaander gebeuren. Een daad put zijn morele waarde eerst en vooral uit zijn “object”, d.w.z. uit de daad zelf die beschouwd wordt vanuit zijn intrinsieke bedoeling, zoals deze door de dader wordt waargenomen. Het “object” is nooit een loutere fenomenologische beschrijving van iets dat gedaan wordt  [3].

Rond deze fundamentele begrippen van de moraal draait de hele inzet van de in 1993 gepubliceerde encycliek Veritatis Splendor   [4], die in dit verband de klassieke leer van Thomas van Aquino volgt.

Wie iemand een “contraceptieve” pil ziet slikken- perspectief van de buitenstaander- , aanschouwt geen handeling vanuit een moreel gezichtspunt en kan er dus geen oordeel over vellen. Want men kan een pil slikken bv. per vergissing, of als noodzakelijke behandeling tegen een ziekte, of als voorzorg tegen de gevolgen van een mogelijke verkrachting. In die drie voorbeelden is de waarneming van de buitenstaander- het “slikken van een pil”- een daad die- in de positie van de dader- niet de morele betekenis heeft van contraceptie.

  

Wat is contraceptie?

Wat is dan contraceptie? Het is een handeling waarbij men willens en wetens de band tussen procreatie en eenwording verbreekt. Het gaat m.a.w. om een daad die, in de omschrijving van zijn “object”, een vrijwillige en bewuste inbreuk inhoudt op het fundamentele princiep van HV 12  [5]

Men heeft HV soms verweten zich te beperken tot het uitroepen van een soort axioma, zonder verdere bewijsvoering. Voor een uitgebreide argumentering waren de tijden in 1968 waarschijnlijk nog niet rijp. Maar juist daarom lijkt mij de intuïtie, vervat in het fundamentele princiep van HV 12, de meest profetische dimensie van de encycliek.

Dit is later gebleken in de verdere ontwikkeling van de hele reflectie binnen de Kerk over menselijke liefde en seksualiteit. In de instructie Donum vitaebv. gaf hetzelfde princiep de doorslag voor de beoordeling van in vitrofertilisatie en kunstmatige inseminatie. Om het eenvoudig uit te drukken: seks hebben zonder openheid voor kinderen (contraceptie) en kinderen hebben zonder seks (kunstmatige procreatie) zijn twee aantastingen van één fundamentele vereiste: bij de mens houdt echtelijke liefde in dat men open staat voor het leven en houdt het verwekken van een nieuw leven in dat het voortvloeit uit een daad die in zich (intrinsiek, in zijn “object”) een daad van liefde is.

Maar waarom is dat zo? De antropologische en theologische verklaring van HV 12 hebben wij vooral te danken aan Johannes Paulus II. Benedictus XVI heeft er ook toe bijgedragen met zijn analyse van de echtelijke liefde in Deus Caritas est. De laatste decennia hebben ook tal van theologen en filosofen aan die vernieuwde voorstelling van de huwelijksmoraal meegewerkt  [6].

Echtelijke liefde is zelfgave  [7]: de huwelijksdaad is de belichaming van deze gave. Maar wie zich binnen het huwelijk geeft, geeft alles, geeft zich met lichaam en ziel, in de eenheid van zijn persoon, en voor altijd. Dat- en niets anders- is wat de waardigheid van de echtgeno(o)t(e) vereist. Maar een man of een vrouw die de huwelijkdaad stelt en uit eigen beweging de mogelijkheid uitsluit die in zich schuilt om hierdoor vader of moeder te worden, stelt geen daad van zelfgave, van echtelijke liefde. Zelfs mochten beiden afspreken om zo te handelen is het in zich, buiten de “bijbedoelingen” van de echtgenoten, een leugen: de fundamentele bedoeling ligt vervat in het “object” van de daad  [8].

Velen die HV verwerpen hebben last met deze redenering omdat ze vanuit een “dualistische antropologie” redeneren, waarin de geest a.h.w. de taal van de liefde zelf bepaalt, los van de werkelijkheid en de tendensen van het lichaam. Voor hen is de seksuele dimensie iets dat men “heeft”, en naar goeddunken kan “gebruiken”, alsof ze los stond van de persoon. Ze begrijpen niet dat een mens een “tot een eenheid gevormde totaliteit”  [9] is waarin het seksuele tot het “zijn” behoort. Wat man en vrouw aan mekaar schenken in het huwelijk is precies hun mens-zijn als man en als vrouw [10]. Daarom vloeit de taal van de zelfgave niet voort uit de menselijke verbeelding of uit afspraken, maar uit de natuur zelf van de mens, geschapen “naar Gods beeld en gelijkenis”  [11]. Dit verklaart waarom men Johannes Paulus II een ware “theologie van het lichaam” toeschrijft  [12]. Voor hem is het in en door hun lichaam dat echtgenoten de taal van de liefde spreken, net als Christus die een menselijk lichaam op zich nam om ons, in de totale zelfgave van het Kruis, de goddelijke Liefde te openbaren.

God is Liefde. Hij heeft de mens niet nodig. Toch schept Hij hem uit zuivere onbaatzuchtigheid, d.w.z. uit Liefde. De Liefde die Hij is, is zo onmetelijk, zo intens dat ze a.h.w. “overloopt” in een gave, in de schepping van nieuwe wezens waarin Hij zijn Liefde kan storten. Welnu, man en vrouw zijn heel in het bijzonder “Gods beeld en gelijkenis” als zij “één vlees”  [13] worden, als zij die onbaatzuchtige zelfgave belichamen, als zij ook liefde zijn. Die gave bezit intrinsiek, in zich, een scheppende kracht: wie eenwording en procreatie uit eigen initatief scheidt breekt in zichde weerspiegeling van God's scheppende liefde. Daardoor geraakt hij ook zijn eigen identiteit kwijt want “de mens, die op aarde het enige schepsel is dat om zichzelf door God is gewild, kan zichzelf alleen volledig vinden in de oprechte gave van zichzelf”[14].

  

Verantwoord ouderschap

Maar wat doen als een nieuw zwangerschap niet verantwoord is? HV 10 houdt rekening met “ernstige redenen” die kunnen rechtvaardigen dat men een nieuwe geboorte voor een bepaalde of een onbepaalde tijd vermijdt  [15]. Dit moet gebeuren “met inachtneming van de voorschriften van de moraal”, d.w.z. via periodieke onthouding. Dit kadert in de mentaliteit van wat de encycliek “verantwoord ouderschap” (HV 10) noemt: de huwelijksdaad is een menselijke daad, die dus in volle verantwoordelijkheid gesteld moet worden. 

Hier kristalliseert het fundamentele debat over het begrip “natuur” in één concrete vraag: Waar ligt het verschil tussen periodieke onthouding en contraceptie? Het antwoord luidt nog eens: in het “object” van de daad. Om dit vanuit een andere hoek trachten te verklaren, zal ik een analogie gebruiken.

Zoals het hoort, tracht ik van de hele mensheid te houden. Maar ik heb niet genoeg geld om alle dagen een aalmoes te geven aan de bedelaar die ik op mijn weg tegenkom. Buiten mijn wil om, zijn er dus ernstige redenen die mijn liefdesuitingen beperken. Daarom besluit ik op sommige dagen wel geld te geven en op anderen niet. En zoek ik ook alternatieve manieren om aan die persoon mijn genegenheid te tonen. Zo oefen ik een zekere verantwoordelijkheid uit in de uiting van mijn liefde. Dit is de logica van de natuurlijke methodes i.v.m. de huwelijksdaad  [16].

Men zou zich iemand kunnen inbeelden die, in dezelfde omstandigheden, het plezier niet wil missen dat aan gelduitdeling gepaard gaat. Hij drukt dus valse biljetten en deelt ze onbeperkt uit. Voor een buitenstaander is die tweede persoon edelmoediger dan de eerste. Maar deze ongebreidelde edelmoedigheid is maar schijn. Wat die persoon bezielt is niet de liefde voor zijn medemens, maar het plezier dat eraan verbonden is. Dit gebaar is verkeerd in zijn diepste betekenis, in zijn bedoeling, in zijn “object”. Het vervalst de liefde en beledigt de andere, die gereduceerd wordt tot voorwerp van mijn eigen voldoening. Het gaat om een leugen, om een liefde die de eerste verantwoordelijkheid van de liefde negeert: echte liefde uitdelen. Dit is de logica van contraceptie, die van de huwelijksdaad een vervalsing maakt.

Tussen verantwoord ouderschap en contraceptieve houding is er volgens Johannes Paulus II een verschil dat “ veel wijder en dieper is dan men gewoonlijk denkt en dat in laatste analyse twee opvattingen omtrent de persoon en de seksualiteit omvat, die niet tot elkaar herleidbaar zijn”[17].

In een periode van twijfel en ontgoocheling over het ideaal van de echtelijke liefde staan zowel christelijke gezinnen als herders voor een grote en boeiende uitdaging: “Wat het probleem van een zedelijk geoorloofde geboorteregeling betreft, moet de kerkelijke gemeenschap in deze tijd de taak op zich nemen een vaste overtuiging te wekken en concrete hulp te bieden aan degenen die het vaderschap en het moederschap op werkelijk verantwoorde wijze willen verwezenlijken”[18].

Stefaan Seminckx is priester, Dr. in de Geneeskunde en in de Theologie. Deze tekst werd gepubliceerd in Emmaüs van november-december 2008, blz. 18-24.

 

[1] Cfr. HV 17. Later, in 1995, legde Johannes-Paulus II ook de band tussen de verspreiding van contraceptie en abortus (cfr. Evangelium Vitae13, die op zijn beurt logischerwijze de deur opende voor euthanasie. En dan spreek ik nog niet over de rampzalige demografische implosie die de rijke landen sinds een veertigtal jaren treft.

[2] Om maar één voorbeeld te geven: in Casti Connubii (1930) spreekt Pie XI in dit verband over “christiana doctrina iam inde ab initio tradita neque umquam intermissa” (“een reeds sinds het begin overgedragen en nooit onderbroken christelijke leer”) (AAS 22 [1930], blz. 560).

[3] Een “geldoverdracht” is een “fenomenologische beschrijving” van iets dat gebeurt. Het is geen daad die vanuit een moreel gezichtspunt wordt gedefinieerd. Terwijl een “aalmoes geven”, “iemand betalen”, “iemand omkopen”, “iemand belonen” uitdrukkingen zijn die een “geldoverdracht” vanuit een intrinsieke finaliteit beschrijven. Daarom kunnen zij voor de praktische rede een “object” zijn, d.w.z. een daad die een “objectieve” morele dimensie heeft.

[4] Cfr. nn. 76-83.

[5] Bij contraceptie gaat het niet, in eerste instantie, om “geboorteregeling”. Aan een man die geen kinderen meer wil hebben, zou men een pil kunnen voorschrijven die de “libido” (de seksuele drift) afremt. Op het gebied van geboorteregeling zou dit middel zeer efficiënt zijn: geen seksuele lust, geen gemeenschap, geen kinderen. Maar niemand zou van dat middel willen. En terecht, want het zou ook immoreel zijn: de seksuele aantrekking is een menselijk goed dat men niet zo maar mag uitschakelen. Met dit voorbeeld uit het ongerijmde, wil ik alleen illustreren dat de precieze bedoeling bij contraceptie- het “object” van de contraceptieve daad- omschreven moet worden als “seks hebben, met uitsluitsel van een mogelijk zwangerschap”.

[6] In België zou men bv. de namen kunnen noemen van Albert Chapelle, Theo Belmans, André Léonard, Alain Mattheeuws, Olivier Bonnewijn.

[7] Zelfgave naar het beeld van de liefde van Christus voor de Kerk, zijn Bruid, en van het nieuw en altijddurend verbond tussen de Verlosser en haar, waarvan het huwelijk het sacrament is, een teken dat van de huwelijksband een deelname maakt aan dit verbond (cfr. Ef.5, 25-33).

[8] De klassieke moraal zou dit met andere woorden uitgedrukt hebben: los van het finis operantis(bedoeling van de dader, wat ik “bijbedoeling” heb genoemd) is het finis operis(de intrinsieke bedoeling van de daad, de daad in zich, als “object”) verkeerd.

[9] “ Omdat de mens geïncarneerde geest is, d.w.z. een ziel die zich uitdrukt in het lichaam en een lichaam dat bezield wordt door een onsterfelijke geest, is hij geroepen tot de liefde in deze tot een eenheid gevormde totaliteit. De liefde omvat ook het menselijk lichaam en het lichaam heeft deel aan de geestelijke liefde” (Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie Familiaris Consortio, n. 11).

[10] Dit verklaart waarom twee mensen van hetzelfde geslacht die samenwonen daar allerlei juridische afspraken over mogen maken maar geenszins beroep mogen doen op het begrip “huwelijk” om dit soort levensproject te beschrijven.

[11] Cfr. Gen. 1, 26. Met die verwijzing raken wij aan één van de grootste hindernissen die de hedendaagse cultuur ondervindt om de leer van HV te begrijpen : het woord “natuur” slaat niet op de loutere biologische samenstelling van de mens maar op het diepste van zijn essentie, als een wezen waarin de Schepper een “project” prentte. De mens kan dit “project” met zijn rede erkennen, met zijn wil aanvaarden en met zijn vrijheid uitvoeren. Deze visie is vandaag de dag bijzonder problematisch: “On a aussi rejeté la notion de ce qui, de manière plus profonde, nous constitue comme êtres humains, à savoir la notion de ‘nature humaine' comme ‘donné réel', et à sa place, on a mis un ‘produit de la pensée' librement formée et librement modifiable en fonction des circonstances” (Johannes Paulus II, Mémoire et identité, Flammarion, Parijs 2005, blz 25). De echte vrijheid wordt niet bevestigd ten koste van de menselijke natuur, maar dankbaar ontvangen en beoefend vanuit en in deze natuur. Mijn vrijheid wordt pas echt als zij, als eerste stap, zichzelf erkent als een gave die Godin mijn natuur heeft geprent. Wie de essentie van zichzelf niet als een gave erkent, zal deze gave nooit in werking kunnen laten treden: hij zal zich nooit daadwerkelijk kunnen geven.

[12] Een theologie die Johannes-Paulus II vooral heeft ontwikkeld aan de hand van zijn wekelijkse audiënties, tussen 1979 en 1985. Ze zijn goed samengevat in Yves Semen, La sexualité selon Jean-Paul II, Presses de la Renaissance , Parijs 2004.

[13]Gen. 2, 24.

[14]Gaudium et Spes 24.

[15] Verantwoord ouderschap houdt de mogelijkheid in, voor ernstige redenen, om een zwangerschap te vermijden, terwijl contraceptie een nieuwe geboorte wil uitsluiten. Tussen vermijden en uitsluiten is er een fundamenteel verschil. In het eerste geval erkent men zich als “dienaar van het plan dat door de Scheppper is begonnen”; in het tweede verheft men zich tot “heerser over de bronnen van het leven” (HV 13).

[16] Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de moderne methodes van “natuurlijke familieplanning” (NFP), gebaseerd op zelfobservatie, even efficiënt zijn als de hormonale pil. Ze vertonen geen contra-indicaties en geen neveneffecten. Ze bevorderen de dialoog tussen echtgenoten en de ontplooing van de volledige woordenschat van de liefdestaal (liefde is niet alleen seks). De zelfbeheersing die ze veronderstellen bevestigt de authenticiteit van de zelfgave: men kan zich pas geven als men zich ook kan beheersen (m.a.w. een “ja” is pas echt, vrijwillig en persoonlijk als men ook in staat is “neen” te zeggen).

[17] Familiaris Consortio 32.

[18] Familiaris Consortio 35.