Het belangrijkste is lief te hebben

Stéphane Seminckx | Gepubliceerd op .

Men zegt vaak: “Het belangrijkste is lief te hebben”. Dat is zeker waar, tenminste als het om ware liefde gaat.

 

 

“Zich vergissen en teleurgesteld worden in de liefde is wel het verschrikkelijkste dat bestaat: dat is een eeuwig verlies dat noch de tijd, noch de eeuwigheid kunnen goedmaken”, zegde Sören Kierkegaard. Vaak heeft men de indruk dat het hedendaags relativisme “zich vergist en teleurgesteld wordt in de liefde”. Benedictus XVI gaf het goed weer in Caritas in veritate: “Zonder waarheid (…), wordt de liefde een leeg omhulsel, dat men naar believen kan vullen. Dat is het noodlottige gevaar voor de liefde in een cultuur zonder waarheid. Zij wordt slachtoffer van de toevallige gevoelens en meningen van individuen, een woord dat misbruikt en vervormd wordt, tot het uiteindelijk het tegendeel betekent.” (nr. 3).

De oorsprong van de liefde

Over het thema liefde kan men vervallen in frivole woorden of steriele debatten waar de ideologieën tegenover elkaar staan. In zijn theologie van het lichaam, vermijdt de heilige Johannes Paulus II deze valstrikken. Om de liefde te begrijpen stelt hij voor terug te gaan naar het “begin”, naar Genesis, naar het moment waarop de mens geschapen werd. Daarin volgt hij Jezus zelf na (cf. Matt .19, 4; Marc. 10, 6). Deze benaderingswijze herinnert ook aan de houding van de fysici, die om het universum te begrijpen zoeken naar echo’s van zijn oorsprong, van de “big bang”.

De eerste drie hoofdstukken van Genesis openbaren de “big bang” van de liefde, “de oorspronkelijke explosie” van de goddelijke Liefde in haar scheppend werk. Haar echo weerklinkt voor altijd in het menselijk hart. De theologie van het lichaam maakt er een analyse van. Deze werd door Johannes Paulus II uitgelegd in de loop van 129 catecheses op woensdag, tussen september 1979 en november 1984.

De gedachtegang van de Poolse paus concentreert zich rond een kerngedachte, uitgesproken in een beroemde zin van het tweede Vaticaans Concilie, die in enkele woorden het origineel project van God samenvat: “de mens is het enige schepsel op aarde, dat om zich zelf door God gewild is, en dat zich zelf niet volledig kan vinden zonder een eerlijk wegschenken van zich zelf” zegt Gaudium et Spes (nr. 24).

Geen enkele mens heeft zichzelf het leven geschonken: het menselijk wezen wordt ontvangen als een geschenk, vrucht van de liefde van zijn ouders, voortzetting van Gods liefde, die in zijn lichaam een onstoffelijke ziel heeft ingestort. Ieder is de voltooiing van een goddelijk initiatief, van een onbegrensde Liefde die eraan voorafgaat en die zo krachtig is dat ze “zoekt” om zich te verspreiden door wezens te scheppen die in staat zijn haar te delen. Wij zijn niet het product van het toeval, van een blind lot, van een aleatorische schok van moleculen, van een toevallige genetische mutatie.

Dat God de mens gewild heeft “om zichzelf” betekent dat op aarde dit wezen het enige is dat zijn Liefde kan kennen, ze ontvangen en ze beantwoorden enkel en alleen omdat hij dat wil. In de kern van het mysterie van de menselijke persoon is er de vrijheid, de mogelijkheid om de liefde te kennen en te beantwoorden.

“Om zichzelf” betekent ook dat God het antwoord van de mens respecteert: zijn “ja” — de beantwoorde liefde — brengt eer aan God; zijn “neen” — de afgewezen liefde — beledigt God. De Schepper laat toe dat een “neen” de almacht van zijn Liefde “blokkeert” in zoverre dat er voor de eeuwigheid een oord zonder liefde voorzien is, waar het bewuste weloverwogen en hardnekkig “neen” van het schepsel voor altijd gerespecteerd is. De hel is zonder twijfel de meest paradoxale bevestiging dat God ons zozeer bemint dat hij onze vrijheid oneindig eerbiedigt.

De antropologische kwestie

Het citaat uit Gaudium et Spes verbindt het probleem van de liefde met de antropologische kwestie, vandaag zonder twijfel een van de meest fundamentele vragen. In het tijdperk van het relativisme wankelt de identiteit van de mens, balancerend tussen het transhumanisme, dat ons op het niveau van de machine wil brengen, het antispecisme, dat ons wil terugbrengen tot de rang van het dier, de genderideologie die van ons demiurgen maakt, de medisch geassisteerde voortplantingstechnieken die het menselijk leven neerhaalt tot een fabricage product (of van stockage in vloeibare stikstof), abortus en euthanasie, waarbij de mens behandeld wordt als een wegwerpproduct, de ongebreidelde seksualiteit die de mens als een genotsvoorwerp beschouwt, enz.

Het probleem van de identiteit van de mens is intens verbonden met het probleem van de liefde: “wij kunnen filosofisch geen verslag uitbrengen over de essentie van de mens zolang we de werkelijke essentie van de liefde niet begrijpen. Want enkel in de liefde ontdekt de mens de volheid van zijn persoonlijk bestaan, enkel in de liefde actualiseert hij de hele volheid van zijn essentie” (Dietrich Von Hildebrand). Het probleem van de identiteit van de mens doet zich in eerste instantie niet voor als een intellectueel probleem. Het dringt zich eerst op als vrucht van een ervaring, van een beschouwing, van verwondering tegenover het gekregen geschenk. In de contemplatie is niet het onderwerp protagonist, maar de beschouwde realiteit, die zich aanbiedt, die haar pracht openbaart, die verrast, die aantrekt, die de liefde opwekt.

De liefde van het huwelijksverbond

Oorspronkelijk was het de persoon van Eva die Adam in verrukking bracht en aantrok: “Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! (…) Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij één vlees worden.” (cf. Gen. 2, 23-24). God heeft gewild dat de weg om aan zijn liefdesplan te beantwoorden gaat langs de liefde van het huwelijksverbond. Dit is het oorspronkelijk teken waarin God zijn eigen beeld en gelijkenis openbaart en meedeelt (cf. Gen. 1, 26-27), wanneer Hij man en vrouw schept, wanneer Hij hen uitnodigt hun ouders te verlaten, om “één vlees” te worden en vruchtbaar te zijn (cf. Gen. 1, 28): “De mens wordt meer beeld van God op het moment van de gemeenschap dan op het moment van de eenzaamheid”, zal Johannes Paulus II zeggen (Audiëntie 14-11-79).

Het huwelijk is geen menselijke uitvinding, of product van een cultuur of van een tijdperk. Het kan geen GGO worden, een “genetisch gewijzigd organisme”, want het is het “oorspronkelijk sacrament”, het “teken dat (…) in de zichtbare wereld het onzichtbaar mysterie dat in alle eeuwigheid verborgen is in God doorgeeft” zegt Johannes Paulus II (Audiëntie 20-2-80). Het huwelijk is de instelling waarin God zich openbaart als gemeenschap van Personen en als gave, als scheppende Liefde, en aan de mens zijn roeping tot “belangeloze gave van zichzelf”, tot scheppende liefde kenbaar maakt.

In het huwelijk deelt men alles wat men heeft, maar men geeft vooral alles wat men is. De gave van het huwelijk is gave van heel de persoon, van de persoon in haar lichaam. Deze gave is exclusief en definitief. Exclusief omdat men heel zijn wezen maar aan één enkele persoon kan schenken. Definitief, want “gegeven is gegeven, terugnemen is stelen” zoals kinderen zeggen. Deze gave is gave van heel de persoon en houdt dus haar seksuele dimensie in.

De gave van zichzelf

Het schenken geeft zin aan de seksualiteit, die de taal is van de gave van zichzelf, de taal die de man toelaat zijn vrouw een essentiële dimensie van zijn wezen te schenken, namelijk zijn mannelijkheid, zijn mogelijkheid vader te zijn en haar moeder te maken, terwijl de vrouw haar man haar vrouwelijkheid schenkt, haar mogelijkheid moeder te zijn en hem vader te maken. De gave van de persoon is enkel mogelijk tussen een man en een vrouw. De taal van de seksualiteit behoort uitsluitend aan het huwelijk toe, als voltrekking en viering van de wederzijdse gave.

De liefde is gave van zichzelf. Dat is een grondwaarheid, die aan de basis ligt van de menselijke persoon: de echtelijke liefde is gave van zichzelf omdat God dit openbaart in Genesis, omdat de echo van deze openbaring weerklinkt in de loop van de geschiedenis, in alle culturen en alle beschavingen — behalve als ze barbaars is —, in de poëzie, het gezang en de literatuur. Ze is gave van zichzelf omdat ons geweten het suggereert, omdat ons hart het vraagt, omdat wij geroerd zijn met enthousiasme bij het zien van diegenen die zich geven, omdat onze intuïtie ons zegt dat er geen andere weg naar het geluk is en omdat de ervaring het ons bevestigt. Omdat de heiligen het ons onderrichten: “Liefhebben is alles geven en zichzelf geven” (heilige Theresia van Lisieux). Omdat God zijn enige Zoon gezonden heeft om ons in zijn vlees te bevestigen dat “niemand groter liefde heeft dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Joh. 15, 13) (1)

De gave is “belangeloos”: deze dimensie van de liefde botst met het hedendaags utilitarisme. In zijn bekend boek “Liefde en verantwoordelijkheid” wijdt Karol Wojtyła tientallen bladzijden aan het ontmaskeren van de utilitaristische mentaliteit, die aan ons blijft kleven. Het is paradoxaal: ons grootste belang is belangeloosheid te leren.

De ware seksuele vrijheid

Meer dan ooit is seksualiteit vandaag blootgesteld aan de utilitaristische mentaliteit, gericht op het (eigen)belang, de berekening, de vluchtige egocentrische ervaring van zinnelijk plezier. Dat is niet zonder dramatische gevolgen. In de geestelijke leiding geven harten zich bloot en vertrouwen het verborgen lijden van een seksualiteit die aan zichzelf overgeleverd is toe: isolement, frustratie, droefheid, prikkelbaarheid, ontrouw, complexen, agressiviteit, apathie, compulsief gedrag, storing van de seksuele functie, met talrijke negatieve gevolgen voor het familiaal, sociaal en professioneel leven. Seksualiteit die de overgave ontkent vervreemdt tenslotte de persoon, want deze vindt haar identiteit in de bevestiging van de gave. Er heerst een grote stilte — een soort omertà — rond dit lijden. Dat is om zo meer zorgwekkend omdat het niet om alleenstaande drama’s gaat, maar om een waar probleem van publieke gezondheid. Verslaving aan pornografie bijvoorbeeld neemt stilaan schrikwekkende proporties aan.

De ware seksuele vrijheid heet kuisheid, die de kunst is lief te hebben in zijn lichaam, de kunst de taal van de lichamelijke liefde uit te drukken, de kunst om zich ten volle te beheersen om zich te kunnen geven, de kunst de vreugde van het geven te beleven, dat in het echtelijk leven intens uitbundige vreugde van hart en lichaam wordt, reëel plezier van heel de persoon gegeven en ontvangen in zijn lichaam.

Om zich te geven moet men zich bezitten. Om zich te bezitten moet men zich aanvaarden. Het is juist hier — zich aanvaarden als geschenk van God — dat de vrijheid haar wortels heeft, dat de mogelijkheid tot beheersing, tot heerschappij over het koninkrijk van onze persoonlijkheid ontstaat: “Wat is immers koninklijker dan een geest onderworpen aan God te zijn, die zijn lichaam kan beheren?” (heilige Leo de Grote).

In Christus is een nieuwe modaliteit van de universele roeping tot gave van zichzelf ontstaan waarvan de spirituele vruchtbaarheid op allen afstraalt: het celibaat “voor het Koninkrijk”, dat een grote genade is omdat het verder gaat dan “de grondvorm van de liefde”, de naam die Benedictus XVI aan het huwelijk gaf in Deus Caritas est. Men kiest in de Kerk niet voor het celibaat uit angst voor het andere geslacht of uit egoïsme. Als het celibaat geen gave is, is het geen roeping, want God heeft voor de mens een unieke roeping — de belangeloze gave van zichzelf — die twee vormen aanneemt: het huwelijk of het celibaat voor het Koninkrijk.

De instelling van het huwelijk, de liefdesgemeenschap tussen man en vrouw openbaren het beeld en de gelijkenis van God. Men kan het huwelijk niet afschaffen of ernaar trachten zijn aard te veranderen, het “genetisch te modificeren”: dat zou erop neerkomen God te willen afschaffen of veranderen. Dat zou de gave van Christus op het Kruis en de gave van zijn Lichaam in de Eucharistie vergeefs maken: het is op deze gave, op dit “nieuw en altijddurend verbond” dat de echtgenoten geënt zijn in het sacrament van het huwelijk. Dit sacrament stelt hen in staat lief te hebben met dezelfde liefde die Christus verenigt met zijn Bruid de Kerk. Hij geeft hun de genade elkaar lief te hebben, de taal van de gave te spreken, elkaar te verstaan en te vergeven.

“De echtelijke liefde wordt niet bemind” zegde Johannes Paulus II op een dag aan een van zijn medewerkers. Het belangrijkste is lief te hebben, opnieuw de ware liefde lief te hebben.

Stefaan Seminckx is priester, Doctor in de Geneeskunde en de Theologie. Hij is de auteur van het boek “Liefde is jezelf geven” waarin de ideeën van dit artikel uitgewerkt zijn. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.

 

(1) Jezus spreekt hier over de universele roeping tot gave, in het huwelijk of het celibaat, die de bijzondere roeping tot een heldhaftig offer van zijn leven voor een ander, voor het vaderland, voor het geloof zoals in het martelaarschap niet uitsluit.

Tags: Huwelijk Maatschappij Kuisheid