Het verhaal van de pensionaten in Canada

Douglas Farrow | Gepubliceerd op .

Zijn de religieuze organisaties die de pensionaten beheerden de ware schuldigen, zoals velen veronderstellen? Een zorgvuldig onderzoek toont aan dat deze veronderstelling foutief is.

 

De afgelopen twee weken zijn een twaalftal kerken in Canada in brand gestoken, waarvan vele ten dienste stonden van de inheemse bevolking. Twaalf andere, meestal in niet-inheemse context, werden vernield. “Steek alles in brand” tweette de directeur van de British Columbia Civil Liberties Association aan zijn aanhangers, met applaus van de gerechtelijke middens zelf.

De chaos begon na de ontdekking van de resten van honderden inheemse jongeren, begraven bij de pensionaten waarin zij ingeschreven waren uit hoofde van een politiek die steunde op de Indian Act van 1876, waarvan de amendementen uit 1894 en 1920 het bezoek van pensionaten of industriële scholen verplicht maakte voor degenen die geen toegang hadden tot dagscholen. De laatste hiervan, waarvan vele door de katholieke Kerk beheerd werden, sloot haar deuren in 1996. Meer dan een eeuw hebben ongeveer 140.000 kinderen deze scholen bezocht. Meer dan 4.000 — misschien wel 10.000 — stierven terwijl ze deze scholen bezochten of kort daarna.

Hoe is dat mogelijk? Wie is verantwoordelijk? Zijn de religieuze organisaties die de pensionaten beheerden de echte schuldigen, zoals velen veronderstellen? Een zorgvuldig onderzoek toont aan dat deze veronderstelling onjuist is. Zoals we zullen zien, begon de tragedie en de misdaden die deze met zich meebracht — misdaden die sommigen ten onrechte als genocide betitelen — met een door de overheid opgelegde schending van de rechten van de ouders, een vergissing die zich tegenwoordig opnieuw verbreidt.

Een vooruitstrevende politiek

Op het moment dat ze werd ingesteld, werd de politiek van de pensionaten beschouwd als vooruitstrevend. Een methodistische predikant, Egerton Ryerson (1803-1882), werd in 1844 benoemd tot hoofdinspecteur van het onderwijs in Opper-Canada. Hij introduceerde schoolbesturen, standaard leerboeken en gratis onderwijs voor allen. Het Ministerie van Indiaanse zaken deed al gauw beroep op zijn raad en begon zijn methoden toe te passen om inheemse kinderen te integreren in de nieuwe wereld waarin ze zouden gaan leven. Hij ondersteunde het idee dat de inheemse bevolking onderwijs zou moeten krijgen in confessionele Engelse kostscholen, een systeem dat betekende dat de kinderen uit hun familiekring en van de gewoonten van hun stam werden weggehaald.

Het eerste pensionaat, het Mohawk Institute van Brantford in Ontario opende zijn deuren in 1831. Het was nog doordrongen van de geest van de eerste bisschop van Nieuw-Frankrijk, de heilige François de Laval (gestorven in 1708), die zich ingespannen had, lang voor de tijd van Ryerson, om voor een volledig onderwijssysteem te zorgen voor de volkeren die aan zijn zorg waren toevertrouwd, en ook om hen te beschermen tegen de alcoholhandel en tegen andere bedreigingen voor hun welzijn. (In die tijd werden scholen naar de inboorlingen gebracht, in plaats van de inboorlingen naar de scholen). Op het moment van de Confederatie in 1867, waren er acht instellingen van die aard, maar de dingen begonnen te veranderen.

Staatssteun voor de katholieke en protestantse missiescholen werd mogelijk in 1874. Met de komst van het verplicht onderwijs groeide het aantal scholen. In 1931 waren er 80 actief. De financiering was gebaseerd op de inschrijvingen en (gezien de precaire staat van de economie) zeer karig. De levensvoorwaarden leden onder de gevolgen van de overbevolking en werden minder gezond. De kinderen kwamen toe met tuberculose of met andere ziekten. Wanneer de kinderen stierven werden ze zelden terug naar huis gestuurd om correct begraven te worden. De regering wilde daarvoor niet — en de kerken konden niet — betalen, evenmin als de families. In plaats daarvan waren er ondiepe graven met houten kruisjes in de velden rondom de scholen. En zelfs al was het onderwijs in het algemeen goed en door sommigen dankbaar aanvaard, was het bijhouden van de registers (of de goede bewaring van de archieven) opmerkelijk slecht. De kleine houten kruisjes en de afsluitingen van de kerkhoven zijn uiteraard allang verdwenen. Vandaar de onzekerheid wat betreft het aantal, de namen en zelfs de juiste locatie van de begraven personen.

Recent konden met behulp van bodemscanners locaties en nummers toegewezen worden. Op 28 mei vernamen we dat er 215 naamloze graven waren op het terrein van het pensionaat van Kamloopa, in Brits Columbia. Op 25 juni hoorden we dat er in Saskatchewan 751 waren op de locatie van het pensionaat van Marieval. Op 30 juni werden er 182 graven “ontdekt” op de missie St- Eugene, bij Cranbrook, waar ik opgegroeid ben.

Een onverantwoorde campagne

(…) Hoe zijn deze kinderen gestorven? Wie was verantwoordelijk voor hun dood en waarom zijn hun graven (het zijn geen massagraven) niet gemarkeerd? Wat heeft men geprobeerd om ze te herstellen? Wat doen de kerken en overheden wel of niet? (…)

Helaas lijkt de huidige campagne meer geïnteresseerd in het manipuleren van de publieke opinie dan in het ophelderen van de situatie. De informatie over de plaatselijke graven werd met mondjesmaat verspreid in de collectieve psyche, alsof deze ontdekkingen nieuwe en schokkende kennis voorstellen in plaats van de bevestiging van reeds vastgestelde dingen. Er is weinig moeite gedaan om uit te leggen dat wat professor Scott Hamilton zes jaar geleden gevraagd heeft, tijdens de hoorzittingen van de Truth and Reconciliation Commission (TRC) [Waarheids- en verzoeningscommissie] uiteindelijk zal ondernomen worden. De onwetenden worden namelijk in de waan gelaten dat we nu pas ontdekken dat vele kinderen gestorven zijn tijdens hun verblijf in internaten.

Lijnen worden vervaagd, categorieën verward. De term die door de commissie gebruikt werd om de context en de gevolgen van dat onderwijs te beschrijven, “culturele genocide”, begint zonder adjectief te verschijnen. Zelfs de voorzichtige verklaring op 24 juni door de National Chief Perry Bellegarde, die het woord wijselijk vermeden heeft, werd gepubliceerd onder de titel “De afschuwelijk ontdekkingen van naamloze graven vereisen dringend handelen”. Deze titel suggereerde ongemotiveerd, en zelfs opzettelijk, vernietigen van jonge levens. Daarentegen heeft Chief Sophie Pierre (die mij voorafgegaan is in onze plaatselijk middelbare school nadat ze de St-Eugèneschool bezocht heeft en die de sterke en zwakke punten van elk kent) de keiharde waarheid gezegd: “Er is geen ontdekking, wij wisten dat het daar was, het is een kerkhof. Dat er op een kerkhof graven zijn, zou voor niemand een verrassing moeten zijn.”

Misschien is de bedoeling van het manoeuvre in te spelen op het wetsvoorstel C-15 (VN Verklaring over de rechten van inheemse volkeren, door de koningin bekrachtigd op 21 juni) waardoor het duidelijk werd dat het land nu op een meer georganiseerd wijze moet handelen om veranderingen teweeg te brengen. Als dat zo is, wettigt het doel niet de middelen. De branden die deze campagne veroorzaakt heeft en de haat tegenover de christenen (in het bijzonder de katholieken) die ze aangewakkerd heeft, kunnen niet beschouwd worden als ongelukkige collaterale schade. Gevoelens zijn een gevaarlijke zaak. De waarheid en de verzoening lijden wanneer ze als wapen gebruikt worden.

Neem bijvoorbeeld de eis voor verontschuldigingen van de paus. De conventie voor de regeling met betrekking tot de Indiaanse pensionaten werd getekend in 2006. De procedure voor de gevraagde officiële excuses begon reeds in 1991. Raymond de Souza merkt op dat deze wens in 2008 vervuld werd door premier Harper en in 2009 door paus Benedictus XVI, toen hij een inheemse delegatie ontving en “zijn verdriet en zijn beklemming uitdrukte over het ‘betreurenswaardig’ gedrag van de katholieken die immens leed en lijden veroorzaakten aan diegenen die de Indiaanse pensionaten bezocht hebben”. Volgens pater de Souza “ging het om een passend tegenwicht voor de excuses van de federale regering wat door iedereen begrepen werd — inheemse media, katholieke media, seculiere media.”

(…)

Een perfecte storm

Terug naar ons verhaal. In het tijdperk van de pensionaten was de geneeskunde relatief primitief en pandemieën kwamen vaak voor. De pokken waren dodelijk. De Spaanse griep rukte mensen weg in de fleur van hun leven met een sterftecijfer van 10%. Tuberculose was langzamer, maar voor inboorlingen nog dodelijker. Volgens de Globe and Mail, brengen documenten van de nationale Archieven aan het licht dat kinderen eraan stierven “in alarmerend tempo”. Het Ministerie van Indiaanse Zaken stuurde zijn chef-arts, Peter Bryce, om onderzoek in te stellen. Zijn bezoeken aan vijftien scholen in het westen van Canada hebben aangetoond dat “minstens 24% van de leerlingen overleden waren aan tuberculose over een periode van 14 jaar”. Hij heeft het Ministerie in 1907 laten weten dat de scholen er niet in slaagden de gezonden van de zieken te scheiden.

Twee jaar later legt Bryce een tweede rapport voor, met de aanbeveling dat de regering het beheer van de scholen op zich zou nemen. Omwille van zijn problemen wordt zijn post geschrapt; pas in 1969 zou zijn advies gevolgd worden. Na zijn pensionering in 1922 schreef hij The story of a National Crime [het verhaal van een nationale misdaad]. Ook de pleidooien van andere artsen werden genegeerd. “Blijkbaar heeft iemand ons pensionaat verward met een sanatorium voor tuberculosepatiënten”, klaagde Dr. MacInnis in een brief uit Nova-Scotia aan Indiaanse Zaken. Hij vond dat “zeer onrechtvaardig tegenover de kinderen die proper zijn en in goede gezondheid verkeren”.

Vandaag, in het kader van onze eigen pandemie, lijkt het alsof we dat alles verkeerd aanpakten door de gezonde mensen te behandelen alsof ze ziek waren, eerder dan de zieken alsof ze gezond waren, wat tot nieuwe nationale misdaden leidt. Maar wat ik wil zeggen is dat de oude nationale misdaad werkelijk nationaal was, namelijk politiek en economisch, en niet hoofdzakelijk religieus. De levensverwachting was in die tijd over het algemeen veel lager en de kindersterfte veel hoger. Bryce heeft echter aan Indiaanse Zaken laten verstaan dat het sterftecijfer veel hoger lag bij de autochtonen dan bij de bevolking in het algemeen en dat men onmiddellijk maatregelen moest treffen om het probleem op te lossen. In 1914, onderlijnt de Globe, “heeft de belangrijkste en invloedrijkste ambtenaar van Indiaanse Zaken van die tijd”, Duncan Campbell Scott, toegegeven, “dat het goed mogelijk was te zeggen dat vijftig percent van de kinderen die in deze scholen bezochten, niet geleefd hebben om te kunnen genieten van het onderwijs dat ze er genoten hadden”. Toch werd pas na de Tweede Wereldoorlog effectief ingegrepen, toen de medische maatregelen beduidend verbeterd waren.

De evaluatie van Scott mag niet veralgemeend worden op het geheel van het verhaal van de scholen, noch beperkt tot scholen elders. Ze brengt verslag uit over de armzalige perspectieven van de inheemse bevolking als zodanig. De scholen evenwel bevonden zich in het hart van wat Hamilton correct beschrijft als een perfecte storm: “een zeer, zeer slecht ontwikkelde infrastructuur voor de volksgezondheid”; een epidemiologisch kwetsbare bevolking; kinderen afkomstig uit verschillende gemeenschappen, die de ziekte meebrachten, en dan opeengehoopt werden in slecht verwarmde en slecht verluchte gebouwen, terwijl ze een ontoereikende voeding kregen. Natuurlijk zullen in dergelijke omstandigheden de ziekten “zich verspreiden als een lopend vuur”, zegt Hamilton.

De vraag die men zich moet stellen is te weten waarom men deze storm, die kwam en ging, liet woeden gedurende bijna een eeuw, ten koste van zoveel jonge levens. En waarom noch de Staat, noch de Kerk de moed hadden om ertegenin te gaan of om eruit te geraken.

Verantwoordelijkheid en spijt

Laten we duidelijk zijn: al wie de macht heeft om fysiek of mentaal misbruik te voorkomen waarvan hun toevertrouwde personen slachtoffer zijn, is verantwoordelijk even goed als diegenen die het misbruik plegen (zelfs al is het niet op dezelfde manier). Voor het beleid dat gemeenschappen ertoe verleidt of verplicht om hun kinderen naar scholen te sturen waar ziekte rondwaart of waar hun cultuur ten onrechte wordt onderdrukt, is iedereen verantwoordelijk die het voortbrengt of in stand houdt. Geen enkele partij is verantwoordelijk voor alles en de afkeuring kan niet op gelijke wijze verdeeld worden. Enkel God is uiteindelijk in staat een rechtvaardige verdeling te maken, maar de mens heeft de plicht te proberen. Dat maakt deel uit van de leerschool van de gerechtigheid.

Diegenen die beweren dat we daarvoor een nieuw instrument hebben, zijn echter veel te optimistisch, of op zijn minst te overhaast. Wat we tegenwoordig leren van de grondscans is niet nieuw, behalve in sommige bescheiden details. Specifieke begraafplaatsen zijn in kaart gebracht of zullen in kaart gebracht worden. Maar we weten nog niet, en we zullen het misschien nooit weten, wiens overblijfselen ze bevatten of wie bij leven goed behandeld en welke slecht behandeld zijn. Wat we wel weten is dat we nu in een betere positie verkeren, niet om de levenden de schuld te geven, maar om de doden te eren. En dat is wat we moeten doen, rekening houdend met het feit dat, hoewel de meerderheid het slachtoffer waren van een ziekte, dat in de morele zin van de term niet voor allen geldt. Sommigen bevonden zich op de juiste plaats op het verkeerde moment, en anderen, of het nu om leerlingen of leden van het personeel gaat, waren daar geheel vrijwillig. (Dat onderwijs verplicht was bewijst niet het tegendeel; men kan ook niet met zekerheid beweren dat de verhalen van lijden het winnen van de verhalen van weldaden, vermits deze laatsten niet opgezocht zijn en de eersten vaak onbetrouwbaar zijn door het misbruik van het systeem voor schadeloosstelling).

De doden eren was en blijft de bestaansreden van kerkhoven, een begrafenistraditie die door de christenen geïntroduceerd werd in Noord-Amerika en die gunstig onthaald werd door de inheemse volkeren. De bewuste kerkhoven waren een laatste rustplaats niet alleen voor schoolkinderen, maar ook voor andere armen van de plaatselijke gemeenschap. Nochtans verhindert de rook van de brandende kerken ons de doden te eren, wat erop wijst dat de kwestie van de verantwoordelijkheid voor deze voortdurende “perfecte storm” niet het antwoord kreeg die ze verdiende.

Geen enkel antwoord op de vraag naar de verantwoordelijkheid kan zich onttrekken aan officiële bekentenissen van zware schuld, zij het vanwege de overheid of van de kant van de religieuze organisaties die de scholen beheerden. Ondanks de verachtelijke houding van de premier, komt hem de verantwoordelijkheid voor iedere andere blaam toe. Want het was de Staat die het beleid van gedwongen assimilatie door onderwijs op afstand bepaalde en die de touwtjes van de beurs in handen had die de uitvoering ervan controleerde. Een onvermijdelijk gebrekkig plan, uitgevoerd met een dodelijke combinatie van ambitie en spaarzaamheid, werd nog verergerd door plichtsverzuim aan beide kanten. Zelfs de inheemse groep mag niet ontsnappen aan een nauwkeurig onderzoek. Maar het project zelf had vernietigende gevolgen waarvoor een nationaal berouw noodzakelijk was en is.

Berouw waarover? Daarom, over onze collectieve en persoonlijke mislukkingen. Niet voor de westerse beschaving als zodanig, hoewel ze het doelwit geworden is van cynici en zelfhaat. Zeker niet voor het christendom of de katholieke Kerk als zodanig, die sinds de periode van de heilige patronen van Canada — Jean de Brébeuf en zijn collega’s, die hun bloed vergoten als martelaars in naam van de inboorlingen die in de steek gelaten waren met het uitzicht op een stammengenocide — zoveel gedaan heeft om onze excessen te matigen en de ziekten van lichaam en ziel te genezen, zoals ze dat opnieuw moet doen, ondanks haar eigen schaamte en oneer. Ook niet voor een genocide, want er is hier geen genocide geweest, zelfs indien de nalatigheid, de wreedheid, de rampspoed en voortijdige dood niet ontbraken.

De aanklacht van genocide

Tot slot moet er nog iets gezegd worden over deze beschuldiging van genocide, die een irrationele haat opwekt. Artikel II van het Genocideverdrag definieert genocide door te verwijzen naar vijf soorten handelingen “begaan met de bedoeling een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen”. Deze handelingen zijn:

  • Leden van de groep vermoorden;
  • Ernstig lichamelijk of geestelijk letsel toebrengen aan leden van de groep;
  • Het opzettelijk blootstellen van de groep aan levensomstandigheden die hun totale of gedeeltelijke vernietiging moet teweegbrengen.
  • Maatregelen opleggen bedoeld om geboorten binnen de groep te verhinderen;
  • Het gedwongen overplaatsen van de kinderen van de groep naar een andere groep.

In de actuele context is het vijfde punt waarop het meest gefocust wordt door diegenen die deze term gebruiken. Er moet echter aan worden herinnerd dat alle vijf gekwalificeerd worden door de intentieclausule, waarvoor bewijs ontbreekt.

Het eerder genoemde artikel in de Globe benadrukt het oordeel van John Milloy, “de enige buitenstaander die toegang heeft gekregen tot de afgesloten kluis van de dossiers van Indiaanse Zaken” en auteur van een boek dat teruggrijpt op dat van Bryce. In dat boek, getiteld A National Crime: The Canadian Government and the Residential School System, vermijdt Milloy terecht te spreken over genocide, want niemand trachtte werkelijk de kinderen ziek te maken of de inheemse bevolking uit te roeien. De gewetenloze aanval op hun families en hun cultuur door de Staat, en de medeplichtigheid van de kerken (zullen we het nooit leren?) met de Staat hebben geleid tot de tragedie. Maar de sterfgevallen in de scholen “waren vooral te wijten aan de politiek van betaling van de kerken op basis van het aantal personen (hoofden)” die de overbevolking en het toelaten of gevaarlijk behouden van zieke studenten in de hand werkte. Dat was onvergeeflijk, maar het was geen genocide.

Bovendien beantwoordt het simpel feit het onderwijs op afstand verplicht te maken niet aan wat gespecifieerd is in het vijfde lid, hoewel het in die richting neigt. Ik ben fel tegen zo een onderwijs. In feite ben ik tegen de meeste wetten — ironisch genoeg neemt vandaag het aantal dergelijke wetten opnieuw toe, aangemoedigd door machtige internationale organisaties, waaronder de Verenigde Naties — die de ambtenaren van de Staat toelaten het heilig karakter van de familie te schenden, door dingen te doen aan de geest en het lichaam van kinderen die volgens hun ouders schadelijk zijn. Maar ik geloof niet dat Canada schuldig is aan genocide, noch dat de kerken medeplichtig zijn aan genocide. De mislukkingen van de enen en de anderen, in het verleden en tegenwoordig, zijn ernstig genoeg zonder die term te gebruiken.

Diegenen die losjes over genocide spreken, ontmoedigen niet, maar moedigen het soort daden aan die in de loop van de tijd tot genocide leiden; daden die niets doen voor het nationaal berouw en die de doden niet eren, maar eerder onteren. De doden eren zou moeten beginnen met gebed, voor diegenen die nog een gebedshuis kunnen vinden. Vandaar moet men overgaan tot een gewetensonderzoek, tot berouw en tot boete of herstel, opdat er verzoening zou komen tussen de mensen onderling, en goddelijke barmhartigheid tussen God en de mens.

Bron: The History of Canada’s Residential Schools – Catholic World Report. https://www.catholicworldreport.com/2021/07/13/the-history-of-canadas-residential-schools. Douglas Farrow is professor theologie en Ethiek aan de McGill-Universiteit. Deze tekst werd uit het Engels vertaald door Jos en Helene Van Dyck.

Tags: Maatschappij Kerk