Volgens een wetenschappelijke studie is de wet op de euthanasie in België ondeugdelijk

Michael Cook | Gepubliceerd op .

Haar toepassingsgebied breidt zich voortdurend uit en de voorzorgsmaatregelen deugen niet.

 

 

Van tijd tot tijd verschijnt er een artikel van bio-ethiek dat zo een krachtige opsomming van grieven tegen het onrecht aanhaalt dat de lezer er kippenvel van krijgt. In 1949 publiceerde Leo Alexander Medical Science under Dictatorship in het New England Journal of Medicine over de door nazi-dokters begane wreedheden. In 1966 publiceerde Henry K. Beecher Ethics and Clinical Research, ook een tekst in New England, waarvan de vrij neutrale titel een heftige boodschap dekte over de ethische rampen van de eigentijdse Amerikaanse geneeskunde.

Euthanasia in Belgium: Shortcomings of the Law and Its Application and of the Monitoring of Practice (Euthanasie in België, gebreken van de wet en van haar toepassing en van het opvolgen van haar werking) werd zopas gepubliceerd in The Journal of Medicine and Philosophy. Deze tekst zal wel niet zo sensationeel zijn als de historische artikels die ik zo even vermeldde, maar hij kan er wel mee vergeleken worden.

Sedert 2002 hebben de wetten op de euthanasie in België en in Nederland model gestaan voor de wetswijzigingen in andere landen. Canada volgde ze. Portugal staat klaar om het te doen. Spanje gaat in dezelfde richting. In België neemt de euthanasie 2,4% van alle overlijdens voor haar rekening, met nog hogere cijfers in Vlaanderen.

De auteurs van het artikel in het Journal of Medicine and Philosophy bevestigen in hoofdzaak dat de Belgische wet op de euthanasie slecht is op het ethische, administratieve en wettelijke vlak. Haar toepassingsgebied breidt zich voortdurend uit en de voorzorgsmaatregelen deugen niet. De commissie die belast is met het toezicht op het naleven van de wet door de geneesheren is ondoeltreffend, zelfs medeplichtig aan een pro-euthanasie-agenda. Om deze verbazende verklaringen te ondersteunen verwijst het artikel niet naar schandalen in de media, maar naar zorgvuldige academische studies van de laatste 20 jaar en naar de verslagen van de toezichtcommissie zelf.

De auteurs, Kasper Raus, Bert Vanderhaeghen en Sigrid Sterckx zijn verbonden aan de Universiteit Gent. Men moet beklemtonen dat Kasper Raus en Sigrid Sterckx zich theoretisch niet verzetten tegen euthanasie. Maar tot hun grote verwondering voelen ze aan dat het Belgisch model ondeugdelijk is. Ze maken voornamelijk drie opmerkingen.

Vooreerst werd de toepassing van de wet op de euthanasie uitgebreid van het begrip van ernstige en ongeneeslijke ziekten tot het aanvaarden, als motief, van de levensmoeheid”. Volgens de wet van 2002 is euthanasie wegens levensmoeheid niet toegelaten. Maar de geneesheren kunnen de wet omzeilen door een diagnose te stellen van “polypathologie” — een bundel van aandoeningen die aanwezig is bij iedere bejaarde —, wat voldoende zal beschouwd worden om de euthanasie te rechtvaardigen. “Polypathologie” was de ingeroepen reden in 19,4% van alle euthanasiegevallen die gerapporteerd werden in 2019 en in het duizelingwekkend cijfer van 47 % van alle niet-terminale gerapporteerde gevallen.

Ten tweede kan de verplichte raadpleging van een of twee onafhankelijke geneesheren geen echte bescherming bieden. Hun taak is vrij beperkt en, meer nog, hun advies is niet bindend. De finale verantwoordelijkheid om de euthanasie toe te passen ligt bij de behandelende arts die ze kan uitvoeren zelfs tegen het (negatief) advies van de andere geraadpleegde geneesheren.”

Het is een van de voorbeelden om het systeem te ontwijken. Wanneer euthanasie gevraagd wordt wegens een psychiatrische pathologie, moet men een psychiater raadplegen. Wanneer echter de patiënt een andere toestand vertoont, kan de diagnose herdefinieerd worden als “polypathologie” en kan een huisarts zijn goedkeuring geven en zo de verplichting een psychiater te raadplegen omzeilen.

Ten derde “kan de commissie de naleving van de verschillende wettelijke criteria niet nagaan, en bezit zij een zeker gezag om de wet op euthanasie te reinterpreteren zoals ze wil.” In feite “lijkt de commissie niet op te treden als een filter tussen de geneesheren die de euthanasie uitvoeren en de Procureur des Konings, maar eerder als een dekmantel dat belet potentiële probleemgevallen aan te geven.”

Het belangenconflict is verankerd in de samenstelling van de waarderingscommissie, die 16 leden telt. Acht leden ervan moeten geneesheer zijn en velen ervan, waaronder de voorzitter, Wim Distelmans, passen regelmatig euthanasie toe. Zij controleren uiteindelijk de mogelijke onregelmatigheden in elk dossier van de andere geneesheren. Zij worden verondersteld zich zelf terug te trekken indien een van hun gevallen wordt behandeld, maar ze doen dat niet.

Niets toont beter de ondoelmatigheid — of de medeplichtigheid — van de commissie aan als haar historiek. In haar 18-jarig bestaan heeft zij slechts één geval aan de Procureur des Konings overgemaakt. En dit geval werd gefilmd door een Australische televisie. Het was zodanig in strijd met de wet dat de verwijzing naar justitie onvermijdelijk was om de schijn te redden. De geneesheer werd vrijgesproken.

De onderzoeken doen veronderstellen dat één geval op drie in Vlaanderen nooit aangegeven wordt, wat de statistieken bijna onbetekenend maakt.

De commissie verdedigt systematisch de goede werking van de wet en bevestigt dat niettegenstaande enkele haperingen hier en daar over “niet-essentiële aspecten”, de “essentiële voorwaarden” geëerbiedigd zijn. Maar de auteurs laten opmerken dat er geen wettelijke basis is om zulk onderscheid te maken. De commissie eigent zich wetgevende macht toe die ze niet bezit.

De beslissende personen en de politici in België zouden moeten verschrikt zijn door de rampzalige werking van de wet op euthanasie in hun land, zoals die door deze academici wordt beschreven. Maar de auteurs zijn niet optimist. Zij eindigen met te zeggen dat ze niet kunnen voorspellen of iemand hen ernstig zal nemen.

Verrassend is dat niets van dit alles in de Belgische media naar voor gebracht wordt. Euthanasie is een zo normale zaak geworden dat wie haar bekritiseren meestal worden aanzien als zonderlingen, en niet zij die ze toepassen. Wim Distelmans heeft het niet erg moeilijk om aan veroordelingen te ontsnappen.

Verleden jaar bood een televisiestation aan een van de auteurs van het artikel van het Journal of Medicine and Philosophy, Sigrid Sterckx, een programma aan om haar klachten te laten kennen. Het antwoord van Distelmans in een tussenkomst zegt genoeg over de hoogmoedige houding van het “establishment van de euthanasie” in België.

“Zulks wordt niet lichtzinnig gedaan... de geneesheren doen vooraf een volledige autoverificatie... Wanneer de Commissie een fout ontdekt, is het bijna altijd een procedurefout, zoals het vergeten de overlijdensdatum te vermelden... Wanneer volgens de geneesheren die betrokken zijn in de euthanasie, de voorwaarden vervuld zijn, en dat zulks wordt bevestigd in het document van registratie, geeft de Commissie haar vertrouwen aan dit document.”

Belgische dokters doden ieder jaar duizenden patiënten, en één enkele van hen werd aan het parket aangegeven, en geen enkele werd ooit schuldig bevonden. Schijnt dit verdacht in de ogen van Dr. Distelmans? Helemaal niet. “Er is een onmetelijk taboe bij de dokters omtrent de ‘hulp om te sterven‘. Het is dus nooit een ondoordachte beslissing.”

Nooit. Inderdaad, nooit. De slogan “Vertrouw mij, ik ben dokter”, heeft nooit meer paternalistisch geklonken, en nooit rampzaliger.

Bron: https://mercatornet.com/belgian-euthanasia-is-broken-says-academic-study/69924/. Michael Cook is de hoofdredacteur van Mercatornet. DIt artikel werd uit het Frans vertaald door Walter Van Goethem.

Tags: Euthanasie Bio-ethiek