Naar de kern van de crisis van het misbruik van minderjarigen (1/2)

Geschreven door Robert Sarah op .

Op 14 mei jongstleden gaf kardinaal Robert Sarah een conferentie waarvan we hier het eerste deel publiceren (voor het tweede deel zie hier). De Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Discipline van de Sacramenten was uitgenodigd door het Franse instituut Centre Saint Louis om te spreken over zijn laatste boek “Le soir approche et déjà le jour baisse” (Fayard, Paris 2019), geschreven samen met Nicolas Diat.

 

(Mijn) boek analyseert de geloofscrisis, de crisis van het priesterschap, de crisis in de Kerk, de crisis van de christelijke antropologie, de spirituele ondergang en de morele decadentie van het Westen en alle gevolgen. (…)

Nochtans zal ik jullie vanavond niet over dit boek vertellen. In feite werden de meest fundamentele ideeën die ik erin ontwikkel, verduidelijkt, uiteengezet en op briljante wijze bewezen in april laatstleden door paus Benedictus XVI in een artikel dat hij geschreven had voor de top van de voorzitters van de bisschoppenconferenties over het seksueel misbruik, die door paus Franciscus werd bijeengeroepen van 21 tot 24 februari laatstleden. De emeritus paus heeft dit artikel gepubliceerd in een Beiers tijdschrift met de toestemming van de Heilige Vader en van de Kardinaal Staatssecretaris.

Welnu, zijn beschouwing is een ware bron van licht in de nacht van het geloof die heel de Kerk treft. Hij heeft reacties opgewekt die soms aan intellectuele hysterie grenzen. Ikzelf ben getroffen door de geestelijke armoede en de dwaasheid van vele commentaren. Het doet eens te meer denken dat de theoloog Ratzinger, die een ware “Vader en Kerkleraar” is, juist gemikt heeft en de kern van de crisis in de Kerk geraakt heeft.

Ik zou vanavond dus willen dat we ons laten verlichten door deze veeleisende en heldere gedachte. Hoe zouden we de stelling van Benedictus XVI kunnen samenvatten? Laat mij hem eenvoudig citeren: “Waarom heeft de pedofilie zulke proporties kunnen aannemen? In laatste instantie is de afwezigheid van God de reden” (III, 1). Dat is de principiële opbouw van de hele beschouwing van de emeritus paus. Dat is de conclusie van zijn lang bewijs. Dat is het punt vanwaar ieder onderzoek naar het schandaal van het seksueel misbruik, door priesters begaan, moet vertrekken om een efficiënte oplossing voor te stellen.

De afwezigheid van God

De pedofiliecrisis in de Kerk, de schandalige en ontstellende toename van het misbruik heeft uiteindelijk één enkele oorzaak: de afwezigheid van God. Benedictus XVI vat het samen in een andere even heldere formule, ik citeer: “Enkel waar het geloof de handelingen van de mens niet meer bepaalt, zijn zulke misdaden mogelijk” (II, 2).

(…) de theologische begaafdheid van Joseph Ratzinger verenigt hier niet enkel zijn ervaring als herder van zielen en bisschop, vader van zijn priesters maar ook zijn persoonlijke, spirituele en mystieke ervaring. Hij gaat terug naar de fundamentele oorzaak, hij laat ons begrijpen wat de enige weg zal zijn om uit dit verschrikkelijk en vernederend schandaal van de pedofilie te geraken. De crisis van het seksueel misbruik is symptoom van een veel diepere crisis: de crisis van het geloof, de crisis van het godsgevoel.

Sommige commentatoren hebben uit kwaadwilligheid of onbekwaamheid gedaan alsof ze geloofden dat Benedictus XVI beweerde dat enkel de geestelijken die afweken van de doctrine misbruikers van kinderen werden. Het is wel duidelijk dat er geen sprake is van dergelijke simplistische uitspraken. Wat paus Ratzinger wil aantonen en bewijzen is veel dieper en radicaler. Hij bevestigt dat een klimaat van atheïsme en van afwezigheid van God de morele, spirituele en menselijke omstandigheden creëert voor een wildgroei van seksueel misbruik.

Psychologische verklaringen zijn zeker interessant, maar ze laten enkel toe de zwakke elementen op te sporen die bereid zijn tot de daad over te gaan. Enkel de afwezigheid van God kan zulke woekering en zo verschrikkelijke toename van misbruiken verklaren.

Wij komen nu tot de bewijsvoering van paus Benedictus.

Vooreerst is het aangewezen af te rekenen met de luie en oppervlakkige commentaren die deze theologische beschouwing in diskrediet trachtten te brengen door te beweren dat homoseksueel gedrag en misbruik op minderjarigen door elkaar gehaald werden. Benedictus XVI beweert nergens dat homoseksualiteit de oorzaak van het misbruik is. Het spreekt vanzelf dat de overweldigende meerderheid van homoseksuele personen er niet van verdacht wordt wie dan ook te willen misbruiken. Maar men moet toegeven dat het onderzoek naar het misbruik op minderjarigen de dramatische omvang van de homoseksuele of eenvoudigweg onkuise praktijken bij de clerus aan het licht gebracht hebben. En dit fenomeen is, zoals we zullen zien, ook een pijnlijke manifestatie van een klimaat van afwezigheid van God en van verlies van het geloof.

Overigens hebben andere lezers, te snel of te dwaas — ik weet het niet — Benedictus XVI beschuldigd van geschiedkundige onwetendheid met als voorwendsel dat zijn bewijsvoering begint met het aanhalen van de crisis van 1968. Welnu, het misbruik is vroeger begonnen — natuurlijk — Benedictus XVI weet dat en bevestigt dat. Hij wil juist aantonen dat de morele crisis van 1968 zelf een symptoom is van de geloofscrisis en niet een ultieme oorzaak. Van deze crisis van 1968 zou hij kunnen zeggen: “enkel daar waar het geloof de handelingen van de mensen niet meer bepaalt, worden zulke dingen mogelijk”.

De crisis van de moraaltheologie

Volgen we nu zijn bewijsvoering stap voor stap. Ze vormt het eerste deel van zijn tekst. Hij wil het diepe proces dat hier aan de gang is tonen. Hij beweert, ik benadruk het, dat dit proces “lang voorbereid” is en dat het “nog steeds bezig” is.

Paus Benedictus gebruikt hier een voorbeeld, de evolutie van de moraaltheologie, om terug te gaan naar de bron van deze crisis. Hij onderscheidt drie fasen in de crisis van de moraaltheologie.

De eerste fase is het volledig afstand doen van de natuurwet als fundament van de moraal, met de bedoeling — eigenlijk prijzenswaardig — de moraaltheologie meer te baseren op de Bijbel. Deze poging draait uit op een mislukking, geïllustreerd door de zaak van de Duitse moralist Bruno Schüller.

Ze leidt onvermijdelijk naar de tweede fase, te weten “een moraaltheologie uitsluitend bepaald met het oog op het doel van de menselijke handeling” (I, 2). Men herkent hier de teleologische stroming waarvan het consequentialisme de meest dramatische illustratie was. Deze stroming die zich kenmerkt door het ontkennen van het begrip moreel object, gaat zover te beweren dat, met de woorden van Benedictus XVI: “niets is fundamenteel slecht”, “het goede bestaat niet maar enkel het relatief betere, afhankelijk van het ogenblik en van de omstandigheden” (I, 2).

De derde fase, tenslotte, bestaat uit de bewering dat het leergezag van de Kerk niet bevoegd is wat de moraal betreft. De Kerk zou enkel onfeilbaar kunnen onderrichten in kwesties van geloof. Nochtans zijn er, zoals Benedictus XVI zegt, “morele beginselen die onverbreekbaar verbonden zijn met de fundamentele beginselen van het geloof”. Door het moreel leergezag van de Kerk te verwerpen, ontneemt men aan het geloof elke band met het concrete leven. Tenslotte is het dus wel het geloof dat ontdaan wordt van zijn zin en zijn betekenis.

Het verwerpen van de natuur als goddelijke gave

Ik zou willen onderlijnen hoezeer, van bij het begin van dit proces, de afwezigheid van God aan het werk is. Van bij de eerste fase duidt het verwerpen van de natuurwet op het vergeten van God. De natuur is immers de eerste gave van God. Zij is in zekere zin de eerste openbaring van de Schepper. De natuurwet verwerpen als fundament voor de moraal om haar tegenover de Bijbel te zetten, geeft blijk van een intellectueel en spiritueel proces dat al aan het werk is in de mentaliteiten. Het gaat om de weigering van de mens om van God het zijn en de wetten van het zijn te ontvangen die zijn coherentie openbaren.

De natuur van de dingen, zegt Benedictus XVI, is “het bewonderenswaardig werk van de Schepper, dat in zich een ‘grammatica’ draagt die een einddoel en criteria aanwijst”. “De mens bezit ook een natuur die hij moet eerbiedigen en niet naar wens mag manipuleren. De mens is niet louter een vrijheid die zichzelf creëert. Hij is geest en wil, maar hij is ook natuur en zijn wil is gerecht wanneer hij de natuur eerbiedigt, naar haar luistert en zichzelf accepteert voor wat hij is, dat hij aanvaardt dat hij zichzelf niet gemaakt heeft”. De natuur ontdekken als wijsheid, orde en wet komt neer op het ontmoeten van de auteur van deze orde. “Is het echt zo zinloos na te denken om te weten of de objectieve rede die zich in de natuur openbaart geen scheppende Rede, een ‘Creator Spiritus’ veronderstelt?” vroeg Benedictus XVI nog.

Met Joseph Ratzinger geloof ik dat het verwerpen van deze scheppende God sinds lang sluimert in het hart van de westerse mens. Reeds lang voor de crisis van 1968 is dat verwerpen van God bezig.

Maar we moeten er met paus Benedictus XVI alle opeenvolgende uitingen van tonen. Het verwerpen van de natuur als goddelijk geschenk laat de mens hopeloos alleen. Van dan af zullen enkel zijn subjectieve bedoelingen en zijn eenzaam geweten nog tellen. De moraal wordt teruggebracht tot het proberen begrijpen van de motivaties en de bedoelingen van de handelende personen. Ze kan hen niet meer leiden naar het geluk volgens een objectieve natuurlijke orde die toelaat het goede te ontdekken en het kwaad te vermijden. Het verwerpen van de natuurwet leidt onvermijdelijk tot het verwerpen van het begrip moreel object. Derhalve zijn er geen objectief en intrinsiek slechte daden meer, altijd en overal, welke ook de omstandigheden zijn.

“Veritatis Splendor”

Tegenover zulke gedachte heeft de heilige Johannes Paulus II in “Veritatis Splendor” willen herinneren aan de objectiviteit van het goede. Benedictus XVI laat vermoeden wat een samenwerking deze magistrale encycliek inhield tussen de heilige Poolse paus en hemzelf, maar ook van talrijke medewerkers die men niet zou kunnen herleiden tot een specifieke theologische school.

“Veritatis Splendor” kan zo krachtig bevestigen dat er handelingen zijn die “altijd en op zichzelf reeds slecht zijn, dat wil zeggen alleen al op grond van hun object, onafhankelijk van de verdere bedoelingen van de handelende en van de omstandigheden” (n° 80) en wel omdat deze handelingen “in radicale tegenspraak zijn met het welzijn van de persoon”.

Ik wil met Benedictus XVI benadrukken dat deze bevestiging enkel de consequentie is van de objectiviteit van het geloof en uiteindelijk van de objectiviteit van het bestaan van God. Als God bestaat, als hij geen schepping van mijn subjectiviteit is, dan zijn er, volgens de emeritus paus “waarden die nooit mogen worden prijsgegeven” (II, 2). Voor de relativistische moraal wordt alles een kwestie van omstandigheden. Het is nooit noodzakelijk zijn leven te offeren voor de waarheid van God, het martelaarschap is nutteloos. Benedictus XVI daarentegen bevestigt dat “het martelaarschap een basisbegrip van het christelijk bestaan is. Dat het martelaarschap moreel niet meer nodig is in deze theorie toont dat de essentie zelf van het christendom hier op het spel staat” (I, 2). Om het met andere woorden te zeggen: als geen enkele waarde zodanig objectief is dat men ervoor zou sterven, dan betekent dat dat God zelf geen objectieve realiteit meer is die het martelaarschap waard is.

Als kern van de crisis van de moraaltheologie is er dus een afwijzen van het absoluut goddelijke, van het binnendringen in ons leven van God die alles te boven gaat, die alles beheerst, die onze manier van leven stuurt. De bewijsvoering van Benedictus XVI is duidelijk en definitief, men kan haar samenvatten met de woorden van de schrijver Dostojewski: “Als God niet bestaat, is alles toegelaten”! Als de objectiviteit van het absoluut goddelijke in vraag gesteld wordt, zijn de overtredingen die meest tegen de natuur ingaan mogelijk, zelfs het seksueel misbruik van minderjarigen. Overigens heeft de ideologie van 1968 soms geprobeerd de legitimiteit van pedofilie te laten aanvaarden. Wij hebben de teksten van deze libertijnse helden nog in bezit die prat gingen op verboden liefdes met minderjarigen. Indien iedere morele handeling afhangt van de bedoelingen van de persoon en de omstandigheden, dan is niets definitief onmogelijk en radicaal in strijd met de menselijke waardigheid. Het is de morele atmosfeer van het verwerpen van God, het geestelijk klimaat van het afwijzen van de goddelijke objectiviteit die de wildgroei van misbruik op minderjarigen en het banaliseren van handelingen tegen de kuisheid bij clerici mogelijk maakt.

Met de woorden van Benedictus XVI “Een wereld zonder God kan enkel een wereld zonder betekenis zijn. Want vanwaar komt alles dat bestaat? (…) De wereld is er eenvoudig, men weet niet goed hoe en hij heeft geen doel of zin. Dan is er geen norm voor goed en kwaad, dan kan enkel wie sterker is dan de ander zich doen gelden. Dan is macht het enige principe. De waarheid telt niet, ze bestaat zelfs niet” (II, 1). Als God niet het begin is, als de waarheid niet bestaat, telt enkel de macht. Wat staat dan het misbruiken van die macht door een volwassene op een minderjarige nog in de weg? De bewijsvoering van Benedictus XVI is duidelijk: “Uiteindelijk is de reden [van het misbruik ] de afwezigheid van God”, “enkel waar het Geloof de handelingen van de mens niet meer bepaalt zijn dergelijke misdaden mogelijk”.

[De lezer vindt het vervolg van deze conferentie hier]

Deze conferentie werd gegeven in Rome in het Centre Saint-Louis, op 14 mei 2019 onder de titel “Licht in de nacht. Naar de kern van de crisis van misbruik op minderjarigen, de visie van Benedictus XVI op de Kerk”. De tussentitels zijn van de redactie. Bron: http://magister.blogautore.espresso.repubblica.it/2019/05/14/lumiere-dans-la-nuit/?refresh_ce. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Helene en Jos Van Dyck.

Tags: Geloof Kerk Priesterschap Seksueel misbruik