Het celibaat is het antwoord en niet het probleem

Geschreven door Carter Griffin op .

Veel katholieken, zelfs de meest gelovigen, schijnen het priestercelibaat opgegeven te hebben. In deze tijd na de seksuele revolutie zien velen het celibaat als een ongezond verdringen van seksuele driften, dat de epidemie van seksueel misbruik in de huidige clerus bevordert. Volgens die gedachtegang zou men het celibaat moeten afschaffen om een einde te maken aan seksueel misbruik door priesters.

Dat is een oplossing die om het met de woorden van een literair criticus te zeggen “geniaal, aannemelijk en volledig fout” is.

Het celibaat is een kostbare en onvervangbare gave

Het celibaat is niet het probleem. Seksueel misbruik door geestelijken wordt net zo min veroorzaakt door het celibaat als overspel veroorzaakt wordt door het huwelijk. In beide gevallen is er sprake van het breken van heilige beloften, beloften waarvoor de Heer zich verbonden heeft om te helpen ze trouw na te leven. Met andere woorden, priesters toelaten te huwen zou geen bescherming bieden tegen seksuele overtredingen. Ook het huwelijk is spijtig genoeg niet gevrijwaard van schandalen en seksueel misbruik.

Het probleem is niet het celibaat, maar een celibaat dat slecht beleefd wordt. Dat is zo bij priesters die niet kuis leven. Het gepaste antwoord is niet het afschaffen van het celibaat maar het eisen dat priesters, net als gehuwde mensen, zich gedragen volgens hun roeping.

Het celibaat is een kostbare en onvervangbare gave voor de Kerk. In het algemeen spreekt men op negatieve wijze over “niet trouwen”. Maar het is een positieve keuze, een sterke manier van liefhebben met één enkel objectief en een openheid van hart zonder gelijke. Het laat de priester toe zijn geestelijk vaderschap krachtig en efficiënt te beleven.

De geestelijke weldaden van het priestercelibaat hebben de Kerk en zelfs de algemene cultuur verrijkt sinds eeuwen. Zou men dat celibaat opgeven in dit moment van heftige ergernis, dan zou men het probleem van seksueel misbruik niet oplossen maar bovendien zou men de toekomstige generaties onnoemelijke genaden van geestelijk vaderschap onthouden die ons toekomen door het priestercelibaat.

De selectie van priesterkandidaten

Hoe moeten we dan de actuele stroom aan schandalen verklaren? De geschiedenis is niet fraai maar er is goed nieuws op het einde.

Om te beginnen was de screening van priesterkandidaten jaren lang ongelooflijk licht. Het volstond gewoonlijk dat men geschikt was voor de studies en aanbevolen werd door een priester. Geen doorgedreven onderzoek naar het moreel karakter, de spirituele maturiteit, geen vraag naar referenties, geen psychologisch onderzoek.

De Kerk heeft meermaals aangedrongen dat mannen die homofiele neigingen hadden niet toegelaten mochten worden tot het seminarie (wat dat betreft: het laatste document om daaraan te herinneren werd door paus Franciscus goedgekeurd in 2016). Toch zijn vele zulke mannen toegelaten.

Wel te verstaan zijn vele priesters die homofiele neigingen hebben onschuldig aan seksuele agressie en leven een heilig leven. Toch bestaat het grootste deel van het seksueel misbruik door priesters uit homoseksueel misbruik van jongens en jonge mannen. Hoe controversieel ook, de wijsheid van het besluit van de Kerk is achteraf gezien glashelder. Dat men het niet gerespecteerd heeft, heeft gedurende vele decennia rampzalige gevolgen gehad in het leven van duizenden jonge mannen.

Een vorming tot kuisheid

Ten tweede hebben sinds jaren seminaristen een verschrikkelijk ontoereikende vorming gekregen om een kuis celibaat te leven. Volgens de getuigenis van priesters die in die jaren van verwarring, voornamelijk in de jaren ’70 en ’80, gevormd werden, werden het innerlijk leven en de ascetische praktijken die noodzakelijk zijn om een gezonde kuisheid te ondersteunen niet ernstig bijgebracht. Veel mannen werden zelfs gewijd terwijl ze meenden — foutief, maar gesterkt door de leraars in het seminarie — dat de verplichting van het celibaat weldra zou worden afgeschaft.

In sommige seminaries heeft een verdorven cultuur van seksuele losbandigheid onder de seminaristen en zelfs onder de leraars jonge kwetsbare mensen verdorven of diegenen die op zoek waren naar deugden uit afkeer verjaagd. Om de dingen nog te verergeren heersten er in meerdere seminaries voortdurend theologische verdeeldheid en liturgische experimenten, wat tot een dubbele hypocriete standaard leidde die de mannen meenamen in hun priesterschap.

Intellectuele ontrouw voedt altijd morele ontrouw. Als ik de onderrichtingen van de Kerk zo kan verdraaien dat ze stroken met mijn eigen meningen, voorkeuren en invallen, waarom zou deze arrogantie zich dan beperken tot dogmatische stellingen en liturgische normen? Waarom zou ze de morele voorschriften niet ook aanvallen? De verdeeldheid die al decennia etterde in de theologiefaculteiten eiste een hoge tol van de Kerk, niet enkel in doctrinaire en liturgische verwarring, maar ook, daar ben ik zeker van, in seksueel misbruik.

Tenslotte waren sommige priesters die in dat klimaat van lakse dubbelhartigheid opgroeiden, na hun wijding ontrouw, wat geen verrassing was. En hun oversten hebben hen zelden op duidelijke wijze terechtgewezen. Sommigen zijn herhaaldelijk overgeplaatst maar bijna geen enkele is uit het priesterschap ontzet. Veel bisschoppen hebben hun moed en zelfvertrouwen verloren. De omvang van het kerkelijk verderf was een pijnlijk probleem voor de bisschoppen en er ontstond aldus een cultuur van geheimhouding die nu aan het licht komt.

Een nieuw elan in de priestervorming

Dat is God zij dank niet het einde van de geschiedenis. Veel priesters en bisschoppen bleven, tegen alle verwachtingen in, trouw gedurende die treurige jaren, en vandaag eren wij hun heroïsch getuigenis. Toen kwam in 1992 het gedenkwaardig document “Pastores Dabo Vobis” uit waarin de heilige Johannes Paulus II een opwekkend portret voorstelde van het priesterschap en van de vorming in het seminarie.

In de jaren die volgden werd het in praktijk omgezet op ongelijke wijze doorheen de wereld, maar de tendens naar verbetering in de kwaliteit van de vorming was onmiskenbaar. De criteria voor toelating zijn in vele diocesen zwaarder geworden en de kwaliteit van de vorming is in de meeste seminaries spectaculair verbeterd. Hoewel velen er zich nog niet van bewust zijn: de hervorming van de clerus is meer dan twintig jaar geleden begonnen.

Maar er is nog heel wat te doen. Vermits het priestercelibaat een exclusieve manier is om het geestelijk vaderschap te beleven, moeten we verder gaan met het verbeteren van de selectie en de vorming van toekomstige priesters in het licht van dit vaderschap. Zij moeten een duidelijke mannelijke identiteit hebben en een normaal, gezond verlangen naar huwelijk en vaderschap, zij moeten in staat zijn op een rijpe manier te verzaken aan deze grote gaven om zich te wijden aan het bovennatuurlijk vaderschap en zij moeten geschiktheid hebben of tonen voor de menselijke kwaliteiten en de deugden die volgens de natuur de beste vaders maken.

Eens gewijd zouden de priesters zich moeten houden aan de hoogste criteria van kuisheid. Overtredingen zouden systematisch, snel en eerlijk aangepakt moeten worden met de ernst die past bij een misbruik van vertrouwen op kosten van de eigen spirituele familie. De kuisheid — sereen, diep en vreugdevol — in dienst van het priesterlijk vaderschap is zonder twijfel de weg voor een authentieke hervorming van het priesterschap.

Met de beste wil van de wereld behandelden de artsen in de Middeleeuwen vaak ziekten door bloedzuigers op hun patiënten te plaatsen, waardoor ze hen, onwetend die stoffen onthielden die ze nodig hadden voor hun genezing. Diegenen die de ziekte van het seksueel misbruik in de Kerk willen genezen door haar de genade van het celibaat te ontnemen zullen weinig doen voor de verzorging van de ziekte en ze zullen het Lichaam van Christus de geestelijke voedingstoffen onthouden die noodzakelijk zijn om weer gezond te worden.

Indien wij het probleem van het seksueel misbruik door leden van de clerus begaan willen regelen, zullen we moeten beginnen met van de priesters dezelfde trouw te eisen die we van eender wie verwachten, en hen oproepen om door de gave van het celibaat de zegeningen van het geestelijk vaderschap te omhelzen die we vandaag meer dan ooit nodig hebben.

Eerwaarde Heer Carter Griffin is een priester in het aartsbisdom Washington. Sedert 2011 is hij belast met de selectie en de vorming van seminaristen in het seminarie Heilige Johannes Paulus II in het district Washington. Hij is afgestudeerd aan Princeton en werkte vroeger voor de US Navy. Dit artikel werd gepubliceerd op 24 februari 2019 in The Catholic Thing. Bron: https://www.thecatholicthing.org/2019/02/24/celibacy-is-the-answer-not-the-problem . De titels zijn van deze redactie. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.

Tags: Geloof Kerk Priesterschap Celibaat