De voorwaarden voor een interlevensbeschouwelijk dialoog

Geschreven door Stéphane Seminckx op .

Wat kunnen we verwachten van een interlevensbeschouwelijk dialoog? Dat was de titel van een colloquium dat op 13 mei 2017 georganiseerd werd in de Université Libre de Bruxelles (ULB) door “La Pensée et les Hommes”. Het colloquium bracht vertegenwoordigers van de grote religies en van de vrijzinnigheid samen. In zijn betoog wilde E.H. Stéphane Seminckx drie korte bedenkingen brengen over de voorwaarden voor zo een dialoog.

Waarheid en dialoog

Een dialoog is geen simpele uitwisseling van ideeën, met het risico dat het beperkt blijft tot gebabbel. Dialoog is gericht op het elkaar verstaan, gebaseerd op een gemeenschappelijk streven de waarheid te vinden.

Het is riskant — ja misplaatst — hier te spreken over het begrip waarheid als essentiële voorwaarde voor een dialoog. Tegenwoordig ziet men het opeisen van de waarheid — in het enkelvoud — eerder als een belediging van de dialoog, als pretentie en arrogantie, als een gebrek aan openheid tegenover de andere en zijn waarheid.

We hebben het hier welteverstaan over overtuigingen, dat wil zeggen fundamentele waarheden (God bestaat of bestaat niet; Jezus Christus is God of hij is het niet; er is iets na de dood, of er is niets). In die domeinen is er één niet aanpasbare waarheid, en ze is er al voor ons, wij produceren haar niet. Men kan probleemloos beweren “Voor mij bestaat God niet” of “Voor mij bestaat hij wel”, maar feit is dat hij ofwel bestaat, ofwel niet bestaat: het is de realiteit die ons interesseert, niet onze perceptie ervan. In goede filosofie is de waarheid de adaequatio rei et intellectus.

Als iemand priester is in de katholieke Kerk — met al wat dat veronderstelt als engagement —, dan is dat niet op grond van een subjectieve perceptie of een vaag sentiment, maar op grond van een stellige instemming met een realiteit die het verstand, verlicht door het geloof, waarneemt als zeker waar.

Is die man van God daarom een arrogant, fundamentalistisch, onverdraagzaam wezen, een potentiële bron van conflict en geweld? Indien iemand dat zou denken is dat waarschijnlijk te wijten aan verschillende misverstanden, die tegenwoordig wijdverbreid zijn.

Om te beginnen: waarom wordt het opeisen van de waarheid tegenwoordig gezien als arrogantie? Het antwoord is welgekend: het postmodern klimaat, dat de buik vol heeft van de grote ideologieën van de laatste eeuwen die catastrofen hebben veroorzaakt, is allergisch geworden voor deze aanspraak. De enige waarheid die tegenwoordig in vele kringen aanvaard wordt is die van de zogenaamde exacte wetenschappen. De overtuigingen worden herleid tot opinies, ze maken deel uit van smaken en kleuren.

Men walgt dus van ideologieën. Maar valt godsdienst onder ideologie? Ideologieën zijn menselijke constructies, terwijl de grote religies er aanspraak op maken dat ze van boven geopenbaard werden. Indien dat werkelijk zo is, dan is de waarheid die van boven komt aanvaarden geen arrogantie, maar nederigheid, en haar met anderen delen een plicht van solidariteit.

Hier past een fundamentele bedenking van Benedictus XVI, hier niet geciteerd als religieuze autoriteit maar als een van de grootste denkers van onze tijd. Godsdienst kan vatbaar zijn voor ideologie. We weten het: men ontketent oorlogen en men gooit bommen in naam van God. Om dit gevaar te omzeilen, zegt de paus, moet godsdienst grondig onderzocht worden door het verstand. Wat authentiek goddelijk is, is conform met het verstand, want God openbaart zich als Logos, het woord, de scheppende rede. Dat is de zin van zijn redevoering in Regensburg (12-9-06).

Een logisch gevolg van dat eerste misverstand: het verstand mag de mogelijkheid van de waarheid die van boven komt niet uitsluiten. Dat zou onredelijk zijn, want het is redelijk te bedenken dat er waarheden zijn die ons verstand te boven gaan, en toch conform blijven aan de rede. En het zou niet alleen onredelijk zijn, maar deze uitsluiting van het religieuze zou een nieuwe haard van geweld zijn. We kennen zoveel regimes die in naam van hun atheïsme verschrikkelijke religieuze vervolgingen hebben ontketend en ook heden nog aanstoken.

Benedictus XVI voegt nog een derde beschouwing toe, eigen aan het katholiek geloof: het geloof, zegt hij, is niet zomaar een pakketje waarheden om te geloven, het is een genade, een goddelijke kracht, een bovennatuurlijk licht, een geneeskracht voor ons menselijk verstand dat zo vaak zwak en beperkt is. Het geloof laat het verstand weer helemaal zichzelf worden, wat een boodschap van enorme hoop in zich draagt.

Het geloof redt. Het redt ook het verstand. Dat is een boodschap die helemaal het tegengestelde is van wat bepaalde vrijzinnigen denken, maar ook een bepaalde groep wetenschappers die zover gaan dat ze denken dat het geloof het verstand vergiftigt en dus moet verbannen worden uit het publiek domein of het academisch werk.

Tenslotte moeten we een laatste misverstand uit de weg ruimen: een religieuze overtuiging belijden en beleven, welke dan ook, is — zolang het niet raakt aan het algemeen welzijn — een fundamenteel recht, het eerste recht van een mens, want het diepste streven van een mens is juist vrij te kunnen aansluiten bij de waarheid, en in de eerste plaats bij de hoogste waarheid. En dus moeten we, zoals Voltaire, bereid zijn ons leven te geven opdat ieder zijn overtuiging zou kunnen beleven, zelfs als we die niet delen, met als enig voorbehoud dat ze niet raakt aan het welzijn van de anderen.

Vrijheid en autonomie

Dit brengt me tot mijn tweede bedenking over het statuut van de vrijheid. We spraken juist over religieuze vrijheid en de waarheid over de mens.

De grote bio-ethische debatten zijn in wezen nauw verbonden met de interlevensbeschouwelijke dialoog. Nu is die dialoog praktisch onmogelijk, bijvoorbeeld over de kwesties euthanasie en abortus.

Toen hij in zijn toespraak op de Bundestag op 22/9/2011 naar de ecologie verwees, preciseerde Benedictus XVI: Ik zou nochtans krachtdadig een punt willen aanboren dat zowel vandaag als gisteren — zo lijkt me — op zijn minst verwaarloosd werd: er bestaat ook een ecologie van de mens. Ook de mens bezit een natuur die hij moet eerbiedigen en niet naar wens kan manipuleren. De mens is niet alleen maar een zichzelf makende vrijheid. De mens maakt zichzelf niet. Hij is wil en geest, maar hij is ook natuur; en zijn wil is terecht wanneer hij de natuur respecteert, ernaar luistert en wanneer hij zichzelf aanvaardt zoals hij is, en accepteert dat hij zichzelf niet gemaakt heeft. Het is juist zo en enkel zo dat de echte menselijke vrijheid realiteit wordt.

Als de vrijheid wordt begrepen als een soort absolute autonomie, een soort emancipatie van de menselijke natuur om de mens opnieuw uit te vinden, zoals in de genderideologie, als deze emancipatie toelaat dat onze wensen maatstaf worden voor goed en kwaad, is er geen gemeenschappelijke natuur meer onder de mensen, is er geen waarheid of vrijheid meer, geen gemeenschappelijk welzijn. Dan zijn er alleen nog personen die tegenover elkaar staan, geen kracht van wet meer, maar de wet van de sterkste.

Het recht op leven is niet het resultaat van een dialoog of van een democratische consensus. Het is de basisvoorwaarde, de conditio sine qua non ervoor. Indien men niet zegt “Een mens, een leven”, kan men niet ook zeggen “Een mens, een stem”.

Vriendschap

De laatste beschouwing is misschien banaal, maar zonder twijfel niet onnuttig.

Een overtuiging is geen eenvoudig intellectueel gegeven waarover men kan debatteren. Een overtuiging modelleert een persoon: men kan een gelovige niet begrijpen als men geen rekening houdt met het geloof dat in hem leeft. Het tegenovergestelde is ook waar: men kan een overtuiging niet begrijpen tenzij door haar vruchten, namelijk de persoon die door deze overtuiging gevormd werd. In werkelijkheid is de christen niet in eerste instantie de mens die geboeid werd door de intellectuele kracht van een catechismus, maar door de persoon van Jezus Christus.

Onze overtuigingen worden uitgewisseld en verrijken ons wederzijds door de academische dialoog — zoals in dit colloquium — maar ook door de gemeenschappelijke ervaringen, door de tijd samen doorgebracht, door het gezamenlijk werk in dienst van gemeenschappelijke idealen, door de oprechte waardering van de ander, door de welwillendheid, in een woord door de vriendschap. Grote vriendschappen kunnen bergen verzetten.

Dat is iets dat ik persoonlijk geleerd heb van de stichter van het Opus Dei, de heilige Josemaría. Al vanaf het einde van de veertiger jaren heeft hij aan de Heilige Stoel toestemming gevraagd om niet-katholieken, Joden, moslims, boeddhisten, atheïsten enz. toe te laten als medewerkers van de instelling. Hij heeft tot drie keer toe moeten aandringen om deze toelating te verkrijgen, want dat was ongezien in de Kerk. De heilige Josemaría was ervan overtuigd dat los van overtuigingen men altijd kon samenwerken en leven met mannen en vrouwen van goede wil.

Stéphane Seminckx is priester, doctor in de geneeskunde en in de theologie. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Helene en Jos Van Dyck.