De hedendaagse wereld begrijpen (7/10)

Emmanuel Cabello | Gepubliceerd op .

“Het atheïsme en de redenen ervan” is het zevende in een reeks van tien artikels. In deze teksten trachten verscheidene auteurs een beschouwing te maken over de ideeën die de actuele wereld van de filosofie, van de wetenschap en van de cultuur uitmaken, over de principes die vandaag onze manier van zien en handelen richting geven. Zij stellen zich ook vragen in verband met de troeven en de uitdagingen voor de christelijke boodschap in een postmoderne cultuur.

Tijdens de laatste eeuwen waren er in Europa verscheidene types van atheïsme, waaronder het “humanistisch” atheïsme of antitheïsme van Marx en Nietsche, en het positivistisch atheïsme. Heden overheerst in de academische en culturele middens een praktisch atheïsme of een atheïsme van onverschilligheid. Er bestaat ook een strijdend en soms virulent atheïsme bij sommige kleine groepen of persoonlijkheden van de wetenschappelijke en filosofische wereld, zoals Richard Dawkins bij de wetenschappers en Michel Onfray bij de filosofen.

Eerder dan deze verschillende variëteiten van atheïsme apart te onderzoeken, is het misschien eenvoudiger de voornaamste door de actuele atheïsmen gestelde vragen te groeperen. Wij zullen daarna trachten de door gelovige auteurs geleverde antwoorden voor te stellen.

Drie fundamentele vragen houden de geest van de hedendaagse atheïst bezig: de aanwezigheid van het kwaad in de wereld, de status van onze vrijheid en de mogelijkheid het bestaan van het universum uit te leggen zonder God. We beginnen met het laatste.

1. De oorsprong van het universum

Door de geschiedenis heen gelooft de mens in het bestaan van God. En ten minste sedert de oude Griekse filosofen heeft hij een filosofische formulering gegeven aan de redenen die hem brachten tot dit geloof. Aristoteles heeft de beroemde vijf wegen geformuleerd die de noodzakelijkheid aantonen van een Schepper die een reden geeft aan het bestaan van de wereld. Vele eeuwen later heeft Thomas van Aquino deze overgenomen met een metafysische beslissende diepte.

Het argument dat tracht te bewijzen dat deze vijf wegen niets aantonen kan worden omschreven als volgt: waarom bestaat de wereld? Theïstisch antwoord: omdat God ze geschapen heeft. Weerwoord van de atheïst: en wie heeft God gemaakt? De opwerping is duidelijk en eenvoudig, allicht iets te eenvoudig.

Aristoteles en Thomas van Aquino zouden deze opwerping niet aanvaarden. Zij vertrekken van het feit dat het universum bestaat uit wezens die allen niet noodzakelijk zijn, d.w.z. die niet in zichzelf de reden van hun bestaan bezitten, maar dat zij dit bestaan ontvangen van anderen, die hen hebben verwekt. En aan de oorsprong van allen — zeggen zij — moet er een Wezen zijn dat uit zichzelf bestaat, een Wezen dat wij God noemen. Zonder dit Wezen, bron van alle wezens, zou er niets zijn. Tot in het oneindige verder gaan met de reeks van oorzaken lost het probleem niet op. Een voorbeeld: in een goederentrein gaat de laatste wagon vooruit omdat de voorlaatste trekkracht uitoefent op hem; op zijn beurt wordt de voorlaatste bewogen door deze die hem voorafgaat, en zo verder. Maar als aan de kop van de trein er geen locomotief zou zijn die uit zichzelf beweegt, zou er geen enkele wagon bewegen. Zo, zonder een noodzakelijk Wezen dat het bestaan in zichzelf heeft, zou er geen enkele keten van wezens zijn.

Bij gebrek aan argumenten schrijft André Comte-Sponville, hedendaags atheïst: “Waarom zou er niet iets absoluut onverklaarbaar zijn? Waarom zou de niet-noodzakelijkheid niet het laatste woord hebben, of het laatste zwijgen? Zou dat absurd zijn? Waarom zou de waarheid het niet zijn?” Vreemde vragen voor een filosoof die zich erfgenaam noemt van het rationalisme van de Verlichting. Even zo goed kan men zeggen met een andere atheïst, Robin Le Poidevin, professor aan de Universiteit van Leeds: “Waarom er iets is, eerder dan niets, blijft een mysterie”. Anders gezegd, zij ontkennen God, maar geven geen enkele andere uitleg aan het bestaan van de wereld.

2. Het probleem van het kwaad

Indien God goed is en almachtig, waarom bestaat dan het kwaad? Het fysische kwaad (de menige ziekten, de tsunami’s, de hongersnood, enz.) en het morele kwaad (het onrecht in zijn talloze vormen: Shoa, goelags, massavernietigingswapens, enz.). Waarom zoveel leed in de wereld? Een almachtige God, waarvan de christenen zeggen dat Hij onze Vader is, kan die dit alles toelaten zonder verpinken? En niet alleen dat toelaten, maar, maker van de schepping, er dikwijls zelf de rechtstreekse oorzaak van zijn?

De opwerping is sterk en welbekend. Men zou geneigd zijn te zeggen dat er geen ander antwoord is dan het zwijgen. De woorden die trachten iemand die lijdt te steunen kunnen dikwijls ongepast, zelf kwetsend schijnen. Maar zonder te beweren een voldoende antwoord te geven, is het belangrijk in geweten de opwerping in zijn context te plaatsen.

Vooreerst, wanneer er op het einde der tijden een universeel oordeel is, dat alle recht doet aan allen en op een perfecte wijze, dan stelt het probleem zich anders. Benedictus XVI verdiepte deze gedachte in Spe salvi, zijn encycliek over de hoop. Hij legt uit dat wanneer het onrecht het laatste woord zou hebben in de geschiedenis, dat zulks een frustratie zou teweegbrengen die een rechtvaardige God niet kan toelaten. Het is daarom dat het onrecht in de wereld een belangrijke reden wordt om te geloven in de werkelijkheid van het laatste oordeel en van het eeuwige leven.

Verder, steeds wat betreft het morele kwaad, moeten wij ons weerhouden God te beschuldigen van onze fouten. God heeft ons vrij geschapen, met het risico dat wij onze vrijheid slecht zouden gebruiken. Maar, antwoorden de atheïsten, als het kwaad het gevolg is van de vrijheid, vermits God het kwaad niet kan doen, is Hij dan minder vrij dan wij? De vraag is verkeerd gesteld. Het kwade kiezen is niet noodzakelijk opdat de vrijheid zou bestaan, want een vrijheid die het kwade kiest is een zwakke vrijheid. Waarom? Omdat de wil — die beveelt welke beslissing men moet nemen — door zijn natuur gericht is naar het goede. Als hij het kwade kiest, dan is het omdat hij zwak is. Zoals het verstand dat een vergissing volhoudt een zwak verstand is, of een oog dat slecht ziet een zwak oog is. Hoe meer een persoon een goed gevormd verstand en een sterke wil heeft, hoe gemakkelijker hij voor het goede kiest, zonder evenwel beroofd te zijn van zijn vrijheid van keuze. Dit is zo in de hoogste graad bij God, die altijd kan kiezen, en altijd het goede kiest.

De realiteit van het fysische kwaad lijkt moeilijker te verzoenen met God. Om dit probleem op te lossen, moet men ordelijk tewerk gaan: vooraleer de vraag van het kwaad te stellen, moet men de vraag van de contingentie (of niet-noodzakelijkheid) beantwoorden.

Zou God een beter, een perfecter, universum, hebben kunnen scheppen? Ja, natuurlijk. Maar niet absoluut perfect, want dit universum zou dan een andere God zijn, en we zouden een God hebben die een andere God schept, een geschapen God, iets dat absurd is. Daaruit volgt dat de geschapen wezens noodzakelijk hun begrensdheid hebben. Men kan die de naam van kwaad geven, maar dat zou een verkeerd gebruik van de taal zijn. Een kwaad is het wegnemen van een goed, maar van een goed dat eigen is aan de natuur van het betrokken wezen.

Het feit bv. dat een steen niet kan zien is geen kwaad, want het komt niet overeen met een steen te kunnen zien. Maar het feit dat een mens blind is, is een kwaad, want het is eigen aan de menselijke natuur te genieten van het zicht. Dat wil zeggen dat het kwaad bestaat in de niet-noodzakelijke schepsels, die geschapen zijn. Met andere woorden, opdat het kwaad zou bestaan, moeten eerst de niet-noodzakelijke wezens bestaan. Voor het probleem van het bestaan van het kwaad moet men zich de vraag stellen over het bestaan van de niet-noodzakelijke wezens, vraag waarop wij reeds hebben geantwoord. Deze redenering lost het probleem van het kwaad niet op, maar verwerpt de opwerping die het stelt over het bestaan van God.

Voegen we eraan toe dat men het antwoord over het bestaan van het kwaad niet moet zoeken in een concreet argument, maar in het geheel van het christianisme. Paus Franciscus schrijft in zijn encycliek over het geloof: “Aan de mens die lijdt geeft God geen redenering die alles uitlegt, maar biedt hem zijn antwoord in de vorm van een aanwezigheid die vergezelt” (nr. 57). Dit gezelschap van Jezus Christus, gekruisigd om ons het eeuwig heil te brengen, zegt veel meer dan alle argumenten die wij naar voor kunnen brengen. Vanuit het kruis nodigt Jezus ons uit ons lijden op te dragen om met Hem samen te werken in de Verlossing (cfr. Kol. 1, 24).

3. God en onze vrijheid

Indien God bestaat, is hij alwetend en almachtig. In dit geval kan ik niet vrij zijn, want zo God mijn toekomst kent, is mijn bestaan vooraf bepaald. Maar omgekeerd, vermits ik de ervaring van mijn vrijheid maak, bestaat God niet.

Men kan op deze redenering antwoorden door te zeggen dat God alles ziet vanuit de eeuwigheid, dat hij ogenblikkelijk, als een tegenwoordige realiteit, ziet wat er zich in de tijd voordoet. Thomas van Aquino beelde deze gedachte graag uit met het volgende beeld : wanneer iemand zich op een weg bevindt die een bocht maakt, zal hij bv. dezen zien die voor hem zijn, maar niet dezen die achter hem aan volgen. Maar wanneer hij zich op een heuvel bevindt, waar hij de hele weg kan zien, zal hij gelijktijdig allen zien die erop lopen. Vanuit zijn eeuwigheid ziet God als tegenwoordig al wat zich in de totale tijd voordoet, zonder dat Hij het noodzakelijk oplegt aan de mensen.

Het grondprobleem bestaat in het feit dat wij niet wensen dat God bestaat, dat wij willen autonoom zijn, zelf de normen van ons gedrag bepalen. Het bestaan van God en van een morele orde die vooraf bestaat zou ons onze waardigheid van mens benemen. Maar, tegenover deze visie moet men in herinnering brengen dat het christianisme het morele leven van de mens niet opvat als een eenvoudig gehoorzamen aan geboden die van buiten zijn opgelegd. Het bevestigt integendeel dat het aan ieder van ons behoort het onderscheid te maken waar het goede en het kwade zich in bevinden, maar dat dit goede en dit kwade onafhankelijk van ons bestaan: onze morele autonomie is reëel, maar niet absoluut.

Sommigen van onze tijdgenoten — Jean-Paul Sartre zou hier een prototype van zijn — ondervinden een onbehagen in de spagaat die zij beweren te maken tussen enerzijds de bewering van een totale vrijheid en anderzijds de beperkingen in haar uitoefening: wij willen alles, maar wij kunnen niet alles (wij kunnen bv. niet vliegen zoals een vogel, of de aarde beletten te draaien...). De vrijheid bestaat in ons, die beperkte wezens zijn door onze eigen aard en door het bestaan van de anderen.

4. Besluit

Waar het atheïsme van de voorbije eeuwen (het positivisme, Marx, Nietzsche) utopieën heeft voorgesteld die mislukten, ontkennen de actuele atheïsmen God zonder iets in de plaats te stellen. Er bestaat ook een praktisch atheïsme, zonder rationele basis, maar paradoxaal vrij verspreid in het Westen. Het is het atheïsme van wie niet wil denken aan God, uit vrees hun leven te moeten veranderen. Aan dezen, geplaatst tegenover een absurd leven, zonder gekende oorsprong en gedoemd te eindigen in het niet, moeten wij het christelijk alternatief voorstellen, van een gevuld en gelukkig aards leven, met het vooruitzicht op een eeuwigheid van geluk. Het behoort aan ons, christenen, zulks te tonen met geloofwaardige argumenten, waarvan het eerste ons leven is.

Emmanuel Cabello is Priester, Doctor in de Opvoedingswetenschappen en in de Theologie. In drie andere in didoc gepubliceerde artikelen legt deze auteur in het kort de redenen uit om te geloven in God, in Jezus Christus en in de Kerk. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Walter Van Goethem.