Het priestercelibaat, tussen dogma en traditie

Geschreven door Tony Anatrella op .


Het interview in de Venezolaanse pers van Mgr. Pietro Parolin, staatssecretaris benoemd door paus Franciscus, heeft aanleiding gegeven tot diverse interpretaties. Mgr. Tony Anatrella geeft aanknopingspunten om deze mediastorm te kunnen situeren. Wij brengen hier een interview dat hij gaf aan Anita Bourdin van het agentschap Zenit.

 

Hoe hebt u gereageerd op het interview van Mgr. Parolin?

Men moet het interview, dat Mgr. Parolin verleende aan het Venezolaans dagblad El Universal op 8 september 2013, waarin de staatssecretaris uitgebreid antwoordt op de vragen van de journalist omtrent de situatie van de Kerk, helemaal lezen. Dan moet men een onderscheid dat de journalist maakt weerleggen. Dit onderscheid schept een probleem wanneer hij zich vragen stelt over twee types van “dogma”: sommigen zouden “vast” zijn terwijl anderen “veranderlijk” zouden zijn. Maar die twee types “dogma” bestaan niet. Mgr. Parolin antwoordt zeer logisch en met reden dat het priestercelibaat geen “dogma” is. De Kerk heeft het ook nooit als zodanig voorgesteld. Daarom richt de pers haar pijlen op één zin om allerlei totaal ongegronde hypotheses te formuleren. Eens te meer wordt een zin uit zijn context gerukt om hem het tegenovergestelde te doen beweren. Het wordt hoe langer hoe moeilijker om iets te zeggen zonder dat de gedachte verdraaid wordt voor partijdige doeleinden. De journalisten denken en spreken zo in plaats van Mgr. Parolin. Sommigen gingen zelfs zover dat ze beweerden dat dit antwoord afgesproken was tussen de paus en zijn staatssecretaris, en dat men er ongetwijfeld in de komende maanden getuige van zou zijn dat bepaalde zaken ter discussie gesteld werden, wat natuurlijk ongegrond is. Maar weet de journalist en de hele publieke opinie eigenlijk nog wat een “dogma” is?

De Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK) herinnert er ons in nr. 88 en volgende aan dat het “dogma” een geloofswaarheid is, van Christus ontvangen, die het christenvolk verplicht tot een onherroepelijke instemming, zoals bijv. het mysterie van de heilige Drie-eenheid. Het leergezag van de Kerk, dat handelt en zich schaart onder het gezag van Christus, komt het toe de dogma’s die de goddelijke Openbaring bevat te definiëren en er de gevolgen voor het leven van de Kerk, het geestelijk leven en het moreel gedrag van aan te tonen.

Hoe ontstaan de “dogma’s”?

Hun ontstaan is verbonden aan het ontdekken van de inhoud van de goddelijke Openbaring. Zo hebben in de eerste eeuwen van het leven van de Kerk de verschillende concilies die de bisschoppen onder het leergezag van Petrus verzamelden, geleidelijk aan de rationele inhoud van het christelijk geloof verduidelijkt door te mediteren, te bidden en te leven naar het Woord van God. Dat was niet altijd gemakkelijk en ging niet zonder conflicten omdat men al rekening moest houden met de ideeën, de ideologieën van een tijdperk, en de geloofswaarheden over Christus die men in de schoot van zijn Kerk ontdekte. Sommigen lieten geen gelegenheid voorbijgaan om hun eigen leer te verzinnen en sektes op te richten, wat vaak aanleiding gaf tot scheuringen, ketterijen en geloofsverzakingen die regelmatig heropduiken in de geschiedenis. Zo verkeren we op dit moment volop in een pelagiaanse (alleen de menselijke wil — om niet te zeggen de begeerte — telt) en montanistische (ontkenning van elke kerkelijke hiërarchie) ketterij. Na paus Benedictus XVI herinnert paus Franciscus er voortdurend aan dat Christus en de Kerk onafscheidelijk zijn. In Christus geloven terwijl men de leer van de Kerk verwaarloost, is een intellectuele en morele contradictie, en een antichristelijke houding.

Kortom, de dogma’s, te verstaan als geloofswaarheden in Christus die kort samengevat worden in het Credo, veranderen niet, zij verdiepen vermits wij niet ophouden de zin van de Menswording van Christus en het Mysterie van de Kerk te bestuderen.

Als het erfgoed van het geloof aan de Kerk is toevertrouwd, wat dan met het priestercelibaat dat geen “dogma” zou zijn?

In zijn interview wijst Mgr. Parolin er juist op dat “de Kerk nooit kan veranderen zodat ze zich volledig aan de wereld zou aanpassen. … De Kerk heeft een vorm, een structuur, een inhoud die van het geloof zijn, en niemand kan die veranderen”. Anders gezegd, zelfs als het priestercelibaat geen “dogma” is zoals die in het Credo, toch blijft het een theologische vereiste afhangend van de opvatting over het priesterschap dat de Kerk van Christus ontvangen heeft. Zij behoort tot de Overlevering die structuur geeft aan de Kerk, dat wil zeggen: ze is een van de gevolgen van de geloofswaarheden in Christus-Priester. Zij werden ontdekt en beleefd sinds het begin van het kerkelijk leven. Er is dus een verband en een onderscheid tussen Dogma en Overlevering om de christelijke realiteiten te definiëren. Dit verschil, dat geen tegenstelling is, is een subtiliteit van de gedachte die moeilijk gevat kan worden door de media die vaak gevangenen zijn van hun beperkte ideeën en van hun projectieve interpretaties en die niet proberen de oorspronkelijkheid en de diepte van een religieuze gedachte te begrijpen. Zo worden wij beïnvloed door een mediatieke opwinding die in rondjes draait en met clichés die geen steek houden. Men moet dus de mediastorm laten voorbijgaan om de zin van de dingen terug te vinden, hier van het priestercelibaat.

Hoe moet men de Overlevering situeren in de Kerk?

In de vraag die de Venezolaanse journalist stelde en in alle commentaren die in de media gemaakt werden, is er verwarring tussen de begrippen Dogma en Overlevering. Dat liet Mgr. Parolin verstaan toen hij zei dat het om een “kerkelijke Overlevering” ging, maar dat betekent niet dat ze veranderlijk is en ter beschikking van iedereen buiten de “instelling van de Kerk”. De oorsprong van het denken van de Kerk om de dogma’s en de praktische en morele gevolgen voor het christenvolk te formuleren, is te vinden in “de Heilige Schrift en in de Heilige Overlevering”. Beide zijn normatief en dienen als referentie voor het enige Leergezag van de Kerk aan wie “de taak om op authentieke wijze het Woord van God te verklaren” is toevertrouwd (CKK, nr. 84 tot 87).

De kerkelijke Overlevering die in de loop van de eeuwen is doorgegeven mag niet verwaarloosd worden omdat ze het resultaat is van het in perspectief en daad plaatsen, bijvoorbeeld voor de vraag die ons bezighoudt over de zin van het priesterschap waarvan de levenswijze zich spiegelt aan het beeld van Christus-Priester op de wijze van een bruidegom in de totale overgave van zichzelf aan God en aan zijn Kerk. Daarom bevestigt de staatssecretaris ook met nadruk: “men moet de inspanning die de Kerk heeft geleverd om het priestercelibaat in te voeren in aanmerking nemen. Men kan niet eenvoudigweg beweren dat het tot het verleden behoort.” Dan voegt hij er — in verband met een aantal problemen met het gedrag van priesters — aan toe: “Het is een grote uitdaging voor de paus, die aan het hoofd staat en de eenheid moet bewaren, en alle beslissingen moeten getroffen worden met het doel de Kerk te verenigen, niet te verdelen.”

Mgr. Parolin is een man van de dialoog, een houding die hem toelaat de werkelijkheid onder ogen te zien, te onderscheiden en de dingen te verdiepen. In die zin zegt hij: “Wij kunnen ook spreken, nadenken en deze onderwerpen verdiepen en over veranderingen dromen, maar altijd rekening houdend met de eenheid, met de wil van God (…) en met openheid voor de tekenen van de tijd.” Wat moet men hieronder verstaan? Dat men de kwestie kan overdenken, maar zeker niet dat men het engagement in het priestercelibaat dat sterk geworteld is in de kerkelijke Overlevering ter discussie kan stellen. Aan de andere kant zijn er aanpassingen mogelijk, zoals Benedictus XVI bijvoorbeeld heeft toegestaan voor de opvang van de anglicaanse priesters die zich bekeren tot het katholiek geloof.

Men heeft de woorden van Mgr. Parolin dus veel verder geïnterpreteerd dan wat hij wou zeggen?

Zonder enige twijfel. Sommige media hebben al gauw verkondigd, vaak uit onwetendheid over de geschiedenis van het celibaat, dat de kwestie van het huwelijk voor priesters weer ter sprake gebracht was. Maar er is niets ter sprake gebracht en het nadenken gebeurt zoals altijd ver weg van de camera’s en de microfoons.

Men is elkaar gaan overtroeven met reportages door vaak oude priesters die getrouwd zijn, of vrouwen die in concubinaat leven met priesters te gaan opzoeken. Vaak worden die voorgesteld als ‘sterren’ of ‘helden’ terwijl priesters die trouw blijven aan hun roeping, mensen zouden zijn die geen liefde kennen. Nochtans zijn zij de “helden” van God. Er is niets heldhaftigs aan overtreder zijn, wel integendeel! De mensen die soms in dat geval zijn, weten dat heel goed en worden overstelpt met vragen wanneer ze zich door hun gevoelens hebben laten meeslepen.

Slogans slaan vlug aan en het publiek houdt ervan dat strijdige en anti-institutionele situaties aan het licht gebracht worden en gewaardeerd. “De Kerk is tegen het huwelijk voor priesters en tegen de liefde van een vrouw”. De Kerk verbiedt niemand te huwen! Iedereen is vrij zijn levensweg te kiezen. Maar het priesterschap hangt niet af van de gedachten die elkeen zich daarover maakt en nog minder van de ontwikkeling van zijn gevoelens. Trouwens als het priestercelibaat passief aanvaard wordt zonder dat men zich tijdens de initiële vorming op het seminarie de gevolgen op het gevoels- en seksueel leven realiseert, riskeert men vaak een pijnlijk ontwaken en ongecontroleerde affectieve verwikkelingen.

Men spreekt over grote aantallen priesters die het celibaat niet respecteren?

In werkelijkheid kent men het aantal personen in deze situatie helemaal niet. Sommigen spreken van verzonnen en oncontroleerbare cijfers zoals 25 tot 30% van de priesters die het moeilijk hebben met hun engagement. Het gaat hier meer om een raming dan om reële informatie. Deze duiding van cijfers flirt met de ideologische wil van leken die willen dat priesters zouden huwen, terwijl de overgrote meerderheid der priesters gelukkig zijn in hun overgave en niets vragen. Deze eisen zijn altijd zeer marginaal. Is het niet eigenaardig vast te stellen hoe men priesters en homoseksuelen wil doen trouwen, terwijl men volop bezig is het huwelijk te verraden en te ontwaarden?

Bovendien gaat het daar waar de geestelijkheid wel getrouwd is, niet zonder diverse problemen. De hedendaagse naïviteit gelooft dat het huwelijk alle actuele vragen zal oplossen: tekort aan roepingen, eenzaamheid van de priester, pedofilie, ja zelfs homoseksualiteit in de clerus. Het huwelijk heeft nooit de roepingen aangezwengeld, en was nooit een therapie of een tegengif voor pedofilie of een vermijding van homoseksualiteit. Pedofilie komt voor 80 à 90% voor in gezinnen, en getrouwde mannen kunnen homoseksualiteit beleven. Roepingen, daarentegen, ontstaan in gemeenschappen waar geloof werkelijk en actief aanwezig is. Deze beweringen zijn kortzichtige visies waaraan de Kerk zich natuurlijk niet kan aanpassen.

De enige vraag die men zich eventueel met veel overleg en voorzichtigheid zou kunnen stellen is of het niet wenselijk zou zijn om getrouwde mannen op rijpere leeftijd te wijden in streken die langdurig getekend zijn door de afwezigheid van priesters? Het antwoord zal “niet universeel” kunnen zijn en een probleem blijven voor de eenheid en de coherentie van de Kerk. Want daar ook dreigen andere obstakels op te duiken en de pastoraal van de roepingen, gebaseerd op een celibataire clerus, te doen achteruit gaan. Het is niet evident om twee systemen te laten bestaan die de “eenheid van de Kerk” niet zouden dienen. Dat wil zeggen dat, alvorens zich te storten op aantrekkelijke oplossingen in de ogen van de media, het noodzakelijk is specifieke situaties te ontleden daar waar de clerus in zijn geheel leeft in de coherentie van het gewijde celibaat.

Hoe moet men begrijpen wat kardinaal Jean-Marie Lustiger uitlegde, namelijk dat de Latijnse katholieke Kerk haar priesters enkel kiest uit de mannen die een waar charisma van celibaat hebben ontvangen?

In de Overlevering van de Latijnse Kerk is het celibaat eigen aan het priesterschap op de wijze zoals Christus de bruidegom is van de Kerk. Daarom heeft de Congregatie voor de katholieke opvoeding in een instructie (die bindend is voor de bisschoppen volgens het kerkrecht) herinnerd dat de Kerk geen homoseksuele personen mag toelaten tot de gewijde geestelijke stand.

Wat de theologische band betreft tussen het priesterschap en celibaat, Paulus VI heeft die onderlijnd in zijn encycliek Sacerdotalis caelibatus over het priestercelibaat (1967) en Johannes Paulus II in Pastores dabo vobis (1992). Benedictus XVI hield staande dat er “een wezenlijke band tussen het priesterschap en het celibaat” bestaat (12 maart 2010). Dit is het resultaat van de kerkelijke Overlevering die niemand structureel kan veranderen.

Kardinaal Lustiger bevestigde terecht dat het priesterschap verbonden is met het charisma van het celibaat, dat toelaat de authenticiteit van de roeping van God te herkennen. Een waarheid die sinds de oorsprong van het christendom bevestigd is. Immers, de vereiste van het priestercelibaat begint niet in de 12de eeuw met het Concilie van Lateranen, noch met het Concilie van Trente (1545-’63), maar vanaf de tijd van de apostelen wanneer Christus zegt dat “sommigen zich onhuwbaar maken voor het Rijk van God”. Deze zin laat horen dat reeds in de evangelische periode leerlingen zich met de levenswijze van Christus identificeerden. De meest recente studies in exegese en geschiedenis hebben de ideeën die men over het celibaat had vernieuwd: een recent congres in Rome heeft dat aangetoond. Men kan het celibaat niet meer eenvoudig voorstellen als een “disciplinaire vereiste” van de Kerk. Want wie kan zijn leven geven voor een regel? Men kan zijn leven enkel geven voor een persoon, hier in dit geval voor God en voor zijn Kerk naar het beeld van Christus, vermits de priester gewijd en gemodelleerd is in persona Christi.

Volgens de media zou het celibaat opgelegd geworden zijn in de 12de eeuw om de goederen van de Kerk te beschermen. Beweringen die door de geschiedenis geloochend worden vermits deze vereiste al veel vroeger geleidelijk aan werd beleefd om theologische en spirituele redenen.

Is het de heilige Paulus die begonnen is de christelijke gedachten in verband met het celibaat te organiseren?

Ja! De heilige Paulus, en dan vanaf de eerste eeuwen de Kerkvaders, daarna de verschillende concilies, hebben onophoudelijk getracht om het priesterschap volgens Christus-Priester te beleven in de totale gave van zichzelf. Het is een feit dat in het begin sommige bisschoppen, priesters en diakens gehuwd waren, maar zij zijn het die bij het nadenken over het mysterie van Christus-Priester, op het idee gekomen zijn dat de geestelijkheid in seksuele onthouding moest leven om hun totale overgave aan God duidelijk te maken.

De seksuele onthouding was er dus eerst, nog voor het celibaat en diegenen die deze evangelische levenswijze niet eerbiedigden, werden uitgesloten uit de orde van de priesters. Het is maar daarna dat het celibaat opgelegd werd. We vinden deze betekening in canon 277 §1 van het kerkelijk wetboek die zegt: “Clerici zijn aan de verplichting gehouden gedurende geheel hun leven een volledige onthouding omwille van het Rijk der hemelen in acht te nemen en zijn daarom verplicht tot het celibaat”. Daarom ook stond paus Benedictus XVI erop onderscheid te maken tussen het permanent diaconaat dat niet meer tot de priesterorde behoort (onderwijzen, beheren en voorzitten) en het diaconaat met het oog op het priesterschap. Het permanent diaconaat is enkel een dienst van de Kerk aan de wereld.

Vanaf de 3de en de 4de eeuw zullen de concilies, bekrachtigd door het leergezag van Petrus, deze vereiste van onthouding en celibaat verdiepen en in een wetboek onderbrengen. Ze zal voortdurend moeten in herinnering gebracht worden om theologische redenen. Zo is het een brutaliteit te beweren dat het celibaat geen enkele theologische basis heeft. Paulus VI, Johannes Paulus II en Benedictus XVI, om het bij de hedendaagse periode te houden, hebben het tegendeel aangetoond. Spijtig genoeg wordt deze kwestie onvoldoende behandeld, zelfs door de theologen aan onze katholieke universiteiten, en blijft het bij clichés die de media maar al te graag verspreiden in de meest volledige desinformatie.

Kan men het ambtelijk priesterschap en het priestercelibaat begrijpen zonder verwijzing naar Christus Bruidegom?

Natuurlijk niet! Daarom ook, ik herhaal het nog eens, is de oorsprong van het celibaat theologisch en niet disciplinair. Een disciplinaire “wet” kan veranderen, maar een theologische reden, gegrond op de waarheid van de kerkelijke Overlevering, niet. Niemand is verplicht priester te worden. Het gaat om een goddelijke “uitverkiezing” zoals de brief aan de Hebreeën bevestigt. Paus Franciscus heeft eraan herinnerd tijdens zijn toespraak op 6 juli 2013 voor de seminaristen en novicen die op bedevaart waren in Rome naar aanleiding van het Jaar van het Geloof. Hij nodigde hen uit te leven in de vreugde van de gave en de vruchtbaarheid van de “gelofte van kuisheid en de gelofte van celibaat” door, onder andere, het “geestelijk vaderschap” te beoefenen. Wij zijn ver van een pauselijk besluit dat het priestercelibaat zou wijzigen.

De priester is zo gewijd naar het beeld van Christus-Bruidegom. Hij geeft zijn leven aan God voor de dienst aan de Kerk. Dat vereist natuurlijk dat men tot een affectieve en seksuele maturiteit is gekomen, die het mogelijk zal maken de seksualiteit te integreren in deze symboliek. Seksualiteit is niet enkel het beleven of zich onthouden van zijn voortplantingsvermogen, maar houdt in dat men in staat is ze te enten in de symboliek van de gave van de persoon (Johannes Paulus II). Anders blijven we steken bij een kwestie van praktijken of seksuele geaardheden die tot het register van de driften en niet tot dat van het zijn behoren. Overigens een niveau dat door de huidige “cultuur” niet altijd kan bereikt en begrepen worden. De gedachtegang van de media blijft hangen in een soort primair nut van de seksualiteit als uitlaat voor emotionele spanningen die men met seksuele liefde verwart.

De priester die zo verenigd is met de Kerk, met een volk dat hij bemint, dient door het Woord van God, de naastenliefde en de sacramenten Christus mee te delen. Hij plaatst zich dus in de logica van het Christus-Priesterschap.

Brengt het feit dat men in de Kerk het getuigenis van het gewijde leven niet meer goed begrijpt, niet het onbegrip mee voor het priestercelibaat? Van de keuze die men maakt op het moment van het diaconaat?

Zeker. Paus Franciscus onderlijnde dit in zijn toespraak voor de seminaristen en novicen toen hij het feit benadrukte dat “wij leven in een cultuur van het tijdelijke… die definitieve keuzes niet gemakkelijker maakt… of het nu gaat om het huwelijk, het gewijde leven of het priesterschap”. Zonder dat men wie dan ook moet veroordelen om zijn daden, wat alleen aan God toekomt, moet men vaststellen dat sommige priesters of religieuzen, bij gebrek aan analyse van hun delicate situatie op affectief vlak, omdat ze er niet over spreken met hun geestelijke leidsman of een specialist raadplegen, zich laten meeslepen in vaak complexe relaties naar aanleiding van het ambt. De herderlijke relatie is zo omgevormd tot intieme relatie van verleiding. De ene heeft zich laten ontroeren door een alleenstaande moeder die een kind kwam inschrijven voor de catechese. Een andere wilde een gescheiden vrouw helpen of nog een andere wilde een vrouw in nood “troosten”. Wij zouden nog veel voorbeelden kunnen aanhalen, maar het zijn nooit eenvoudige situaties, eerder zeer bijzonder. De priester die een houding van vervangende partner aanneemt om te trachten de problemen van de persoon weer in orde te brengen of goed te maken. Het is niet vanzelfsprekend een koppel te vormen op zo’n reactieve wijze.

Deze context vereist hoe langer hoe meer een werkelijke vorming voor het gewijde leven, bewust geaccepteerd als zodanig, terwijl men getuigenis aflegt van een leven dat onverdeeld aan God gegeven is. Dit radicalisme bestaat in sommige religies, maar met verschillende betekenissen. Het gewijde celibaat in het christendom is geen keuze voor “zuiverheid” en onthouding, maar een gave van zijn persoon, teken van de gave van God.

Kan men op sociologisch niveau, met een ietwat uitdagende blik, het priestercelibaat niet beschouwen als een verworvenheid van het katholiek feminisme: vermijden dat een echtgenote dag in dag uit moet verdragen dat haar man niet helemaal van haar en haar kinderen is maar in de eerste plaats toebehoort aan de parochie? Omdat hij vooral “aan een Andere” toebehoort?

U hebt zin voor humor! Men kan inderdaad dit weldoend aspect van het gewijd celibaat opvatten, niet als een oorzaak maar als een gelukkig gevolg. Het is waar dat het gewijd celibaat niet in de eerste plaats gewild is omwille van het gemak voor het gebruik van de tijd of ook voor het beheer van de goederen, maar als een enige en exclusieve gave van de persoon aan God voor de zending die hem toevertrouwd werd. De vrouw kan niet als instrument beschouwd worden in het leven van een priester zoals de media verkondigen.

Het is waar dat in het praktische leven de priester volledig beschikbaar moet zijn om zich te wijden aan gebed, studie en herderlijke functie. Het zou moeilijk voor hem zijn om alle mogelijke aandacht te hebben voor zijn familie. Om op dit argument te reageren neemt men het voorbeeld van de protestanten, maar het herdersambt in deze gemeenschap heeft niets te maken met de theologie van het priesterschap in de katholieke Kerk. Ofwel van de oosterse kerken die een andere Traditie aanhangen en andere specifieke moeilijkheden kennen.

Daarentegen is het moeilijk het huwelijk, gezien als een vrije, gelijke en verantwoordelijke keuze voor de familie met gelijkheid tussen man en vrouw te rijmen met de andere symboliek, namelijk van het priesterschap waar de priester handelend in persona Christi in dienst is van de Kerk die de Bruid van Christus is. Leven is niet enkel taken vervullen, maar ook zich engageren en er zijn volgens bepaalde symbolieken. Zo is de priester geheel gewijd aan God en zou niet kunnen bestaan in een symboliek van bigamie!

In een verwereldlijkte en pragmatische maatschappij is het moeilijk de echtelijke symboliek zoals ook de priesterlijke symboliek, die de overgave van een persoon aan een geliefde persoon of ook aan een Andere, namelijk God weergeeft, ten volle te (doen) begrijpen.

Tenslotte wordt het statuut van de liefde in vraag gesteld. De priester komt geen liefde tekort, hij geeft zijn leven uit liefde en om de liefde van God te beantwoorden. Hij is zich bewust van zijn verlangens en accepteert zijn seksualiteit in deze liefde. Maar verstaat men in een wereld die nood heeft aan innerlijk leven nog de taal van de liefde, van het engagement en van de zelfgave?

Mgr. Tony Anatrella is psychoanalist en specialist in sociale psychiatrie, consultor bij de Pauselijke Raden voor het Gezin en voor de Pastoraat in de Gezondheidszorg. Hij onderricht en houdt spreekuur in Parijs. Hij spreekt voor seminaries en vormingsdagen voor priesters over de verschillende aspecten van het priestercelibaat. In de Internationale Cursus voor opleiders van seminaristen die sinds 20 jaar jaarlijks doorgaat te Rome gedurende de hele maand juli geeft hij regelmatig les over dit thema. Bron: http://www.zenit.org/fr/articles/le-celibat-sacerdotal-entre-dogme-et-tradition. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Helene en Jos Van Dyck.