Homoseksualiteit: wat de wetenschap niet zegt

Geschreven door Stanton L. Jones op .

In een artikel dat gepubliceerd werd in First Things (februari 2012) bekritiseert professor Jones, docent psychologie en rector van het Wheaton College te Chicago, enkele zeer verspreide ideeën over homoseksualiteit. Velen menen dat deze iedeën door de wetenschap bewezen zijn.  Jones verklaart dat de resultaten van de totnogtoe gedane opzoekingen niet afdoend zijn en dat ze in zekere gevallen om ideologische redenen verdraaid of verkeerd geïnterpreteerd worden. Wij brengen hier een samenvatting van dit artikel, opgesteld door het agentschap Aceprensa.

 

 

De clichés die over homoseksualiteit verspreid worden als onweerlegbare waarheden, die ondersteund worden door wetenschappelijke studies, zijn legio. Men zegt bijvoorbeeld dat de seksuele neiging biologisch bepaald wordt en dat deze daarom niet kan veranderd worden. Sommigen menen zelfs dat pogingen om haar om te keren schadelijk kunnen zijn voor het psychologisch evenwicht. Ook is de mening dat homoseksuele en heteroseksuele betrekkingen gelijkwaardig zijn op psychologisch of sociaal vlak, zeer verspreid.

 

Aldus de courante stellingen van de voorstanders van de gay-aanspraken. Anderzijds is het onder de conservatieven die zich daartegen verzetten, courant te menen dat homoseksualiteit een psychische stoornis is, — exclusief van psychologische of geestelijke oorsprong — waarvan de betrokkene zich zou kunnen losmaken als hij dit werkelijk wil.

 

Volgens professor Jones komen al deze beweringen voort “uit meningen die gebaseerd zijn op de beste wetenschappelijke ontdekkingen over de seksuele neiging, meningen die echter vervormd of verkeerd zijn”.

 

De oorsprong van homoseksualiteit lijkt te moeten gesitueerd worden in een combinatie van biologische, psychologische en milieu-factoren, zonder dat men van elk daarvan het deel van de invloed kent.

 

Het probleem van de staalneming

Er zijn studies die de clichés over de homoseksualiteit ondersteunen, maar ze zijn niet overtuigend. Zoals professor Jones het verklaart, lijden de opzoekingen omtrent de homoseksuele neiging en het homoseksueel gedrag in min of meer hoge mate aan een gebrek dat tot op vandaag niet kon worden voorkomen: het gebrek aan representativiteit van de stalen.

 

Opdat een empirische analyse statistische waarde zou bezitten, moet men beschikken over een representatief staal van de bevolking die men wil bestuderen. Om representatief te zijn, moet het staal een voldoende grootte hebben en een demografische samenstelling (leeftijden, woonplaatsen, sociale klassen) hebben die identiek is met de gehele bevolking. De onderdelen van dat staal moeten ook bij toeval gekozen worden.

 

Echter, laat professor Jones weten, “representatieve stalen van homoseksuelen zijn moeilijk te bekomen, allereerst omdat de homoseksualiteit een statistisch weinig voorkomend verschijnsel is”. Een berekening gedaan door hetWilliams Institute — een think tank afhangend van de Faculteit Recht van Harvard — schat dat onder de volwassen bevolking van de Verenigde Staten, Canada en Europa 1,1% van de mannen en 0,6 % van de vrouwen homoseksueel is. In deze omstandigheden is het zeer moeilijk een voldoend aantal deelnemers voor de studies of de onderzoeken te vinden opdat ze representatief zouden zijn.

 

Daarnaast is er een probleem van selectie van de deelnemers. Vermits de homoseksuelen relatief weinig talrijk zijn, en dat het bovendien moeilijk is ze te identificeren (tenzij ze zich als dusdanig opgeven), richt men zich gewoonlijk tot leden van gay-organisaties of plaatst men aankondigingen om vrijwilligers te vragen. Aldus is het staal niet afhankelijk van het toeval en belet het de bekomen resultaten te veralgemenen tot het geheel van de homoseksuele bevolking.

 

De biologie is niet alles

Na deze eerste opmerking bestudeert Jones de verschillende gemeenplaatsen omtrent homoseksualiteit.

 

Een eerste daarvan beweert dat homoseksualiteit enkel biologische oorzaken heeft. Toch, legt Jones uit, “wijzen recente studies erop dat factoren van het milieu — familiaal, cultureel, enz. —- ook ertoe bijdragen de homoseksuele neiging te doen ontstaan. Uiteengevallen gezinnen, afwezigheid van de ouders, laattijdig moederschap, een stedelijke context, zijn factoren die worden verbonden zowel aan de neiging als aan het homoseksueel gedrag”.

 

Een andere factor is het feit tijdens de kinderjaren seksueel misbruik te hebben ondergaan. Zonder enige reden werd deze factor verworpen als verklarende hypothese. Jones verwijst naar een studie over een lange periode die het gedrag van een groep personen gedurende dertig jaren heeft ontleed. De gegevens van deze studie, gepubliceerd in deArchives of Sexual Behavior, tonen aan dat in bepaalde gevallen deze factor bepalend kan zijn.

 

Deze bedenkingen, laat Jones opmerken, sluiten niet in dat men alle geldigheid moet ontkennen aan de uitleg van biologische aard; maar voor het ogenblik hebben deze hypotheses geen empirisch bewijs bekomen.

 

De huidige stroming in de richting van het biologische determinisme in de seksuele neigingen wordt volgens Jones eerder verklaard door het belang om de homoseksualiteit voor te stellen als een aangeboren eigenschap — zoals het menselijk ras — om de gay-belangen op dezelfde voet te plaatsen als de strijd voor de gelijkheid van de burgerlijke rechten.

 

De hypothese van de hormonen tijdens de zwangerschap

Een theorie beweert dat sommige zwangere moeders reageren tegen de mannelijke hormonen van de foetus, wat dan bij deze een onvolledige mannelijke vorming veroorzaakt. Deze reactie wordt groter tijdens opeenvolgende zwangerschappen van mannelijke foetussen, zodat jongens met grote broers met meer waarschijnlijkheid homoseksueel worden.

 

“Voor het ogenblik zijn de aanwijzingen voor deze beweerde immunologische reactie zwak”, verklaart professor Jones. Zelfs de verdedigers van deze theorie, zoals Anthony Bogaert en Ray Blanchard, die deze hypothese bestudeerden bij de Noord-Amerikaanse bevolking, hebben geen overtuigende resultaten gevonden. Een latere, meer betrouwbare studie (op een staal van twee miljoen Denen en op een ander van tienduizend Noord-Amerikaanse jongeren) heeft deze theorie niet kunnen bevestigen.

 

Geen bewijs voor de genetische verklaring

Op grond van enkele studies heeft J. Michael Baily gesteld dat de seksuele gerichtheid berust op het genetisch gestel van de individuen. Als dit juist is, dan zouden de echte tweelingen, die dezelfde genetische bagage delen, hetzelfde type van seksuele gerichtheid moeten ontwikkelen. Baily heeft getracht deze hypothese na te gaan bij middel van een studie op vrijwilligers uit de gay-gemeenschap van Chicago. Hij heeft vastgesteld dat het gelijklopen van seksuele oriëntering bestond voor 52% van de echte tweelingen, voor 22% van de onechte tweelingen en voor 9% bij broers van verschillende leeftijden. De resultaten, die blijkbaar aansloten bij zijn hypothese, kregen een brede verspreiding in de media.

 

Dit werk van Baily stelt wel een probleem van staalneming. Met een meer representatieve groep, uit het register van tweelingen van Australië, viel Baily op een veel lagere overeenstemming: 11,1% voor de echte tweelingen. Maar deze tweede studie, en een latere uitgevoerd in Zweden, die het procent terugbracht tot 9,8% werden door de media zo goed als verzwegen.

 

Andere studies staan voor dat homoseksualiteit erfelijk is en schatten het procent overdracht op 30-50% voor de mannen en wat minder voor de vrouwen. Maar deze getallen zijn van weinig betekenis want ze zijn gelijk of lager dan de erfelijke aanduidingen in zeer verschillende domeinen, zoals een rechtse politieke strekking, een zekere godsdienstigheid of de gewoonte veel televisie te kijken (45%).

 

Het enige besluit waartoe men kan komen in het licht van de tot heden toe gedane opzoekingen is dat homoseksualiteit een uiterst ingewikkeld probleem is waarvoor er meer onbekenden zijn dan zekerheden. De oorsprong van homoseksualiteit schijnt te bestaan in een combinatie van biologische, psychologische en milieu-factoren, zonder dat men voor elk daarvan de invloedsgraad kent.

 

Minder stabiele paren

Een ander cliché stelt de homoseksuele relaties voor als vergelijkbaar met de heteroseksuele, wat betreft de graad van getrouwheid en inzet, iets dat pleit ten voordele van het “gay-huwelijk”. De verrichte studies geven geen steun aan deze mening. Eén ervan schat de graad van ontrouw van de gays op 82%, tegenover 26% van de mannen met een vrouw. Een andere, uitgevoerd in Noorwegen en Zweden met een meer representatief staal, komt tot het besluit dat het procent van breuk bij de gay-paren in de eerste vijf jaar 50% hoger ligt dan voor de gehuwde paren, terwijl voor de lesbische dit 167% hoger ligt.

 

Anderzijds, om de adoptie van kinderen door homoseksuele koppels te verdedigen, zegt men dikwijls dat de kinderen die in zulk milieu worden opgevoed, niet méér waarschijnlijkheid hebben dezelfde seksuele neiging te ontwikkelen. De opzoekingen, volgens professor Jones, wijzen eerder op het tegengestelde. “Het gay-vaderschap verdrievoudigt of verviervoudigt het procent van homoseksualiteit”, dat van 2% stijgt tot 8%, “wat statistisch een betekenisvol effect uitmaakt”.

 

Kan men veranderen ?

“De invloed van biologische factoren sluit niet uit dat men de seksuele gerichtheid kan omkeren”, anders dan wat sommigen denken. In feite kan men niet zeggen dat de wetenschap het bewijs heeft geleverd dat het onmogelijk is te veranderen.

 

Jones haalt een opzoeking aan, uitgevoerd door Mark Yarhouse (Regent University) en door hemzelf, waarbij het gedrag van sommige personen die hun homoseksuele gerichtheid wilden veranderen, wordt ontleed. Zij bestudeerden 98 gevallen (72 mannen en 26 vrouwen) die ingeschreven waren op een der therapeutische programma’s van Exodus International.

 

De resultaten van deze studie zijn als volgt: 23% van de 63 personen die het therapeutisch programma tot het einde toe hebben gevolgd, zijn erin geslaagd hun neiging om te keren en zijn heteroseksueel geworden; 30%, hoewel ze niet volledig zijn veranderd, hebben ten minste verklaard dat zij de homoseksuele praktijken hebben achterwege gelaten, en hebben opgehouden zich als homoseksueel te beschouwen; 20% hebben geen merkbare verandering van hun neiging gekend en 27% heeft de behandeling voortgezet, hoewel met meestal weinig nuttige resultaten. Jones onderstreept anderzijds dat “de poging om de seksuele gerichtheid te veranderen bij deze personen geen verhoogd psychologisch onbehagen heeft doen ontstaan; zij heeft eerder een verbetering van hun geestelijk evenwicht teweeggebracht”.

 

Een complex verschijnsel

Aansluitend bij zijn herhaalde opmerkingen, geeft professor Jones te kennen dat in zijn eigen opzoekingen het staal evenmin representatief is, en dat men de resultaten niet mag veralgemenen. Maar “men mag minstens bevestigen dat de seksuele gerichtheid soms wisselt”.

 

Homoseksualiteit, die een complex verschijnsel is, kent veel varianten; sommige ervan zijn eerder “omkeerbaar” dan andere: de mogelijkheid de seksuele gerichtheid te veranderen hangt onder meer af van de persoonlijke motivering van de betrokkene en van zijn overtuiging. “De meerderheid van hen die verandering willen en de meerderheid van hen die erin slagen te veranderen zijn personen met een stevig godsdienstig geloofzij die geloven dat God in hun leven tussenkomt en die zich opgenomen weten in gemeenschappen die hen omringen, vinden hun motivering in de diepere kennis van hun identiteit als persoon die vóór God staat”.

 

Deze tekst is de samenvatting van een artikel gepubliceerd in het tijdschrift “First Things” van februari 2012:http://www.firstthings.com/article/2012/01/same-sex-science onder de titel “Same-Sex Science: The Social Sciences cannot settle the moral Status of Homosexuality". De samenvatting werd gemaakt door het agentschap Aceprensa:http://www.aceprensa.com/articles/homosexualidad-la-ideologia-revestida-de-ciencia/. De tekst werd vertaald uit het Frans door Walter Van Goethem.