Op 1 november 2025 verleende paus Leo XIV kardinaal John Henry Newman de titel van kerkleraar. Wat was de drijfveer achter dit initiatief?
Over het algemeen draagt het leven van een theoloog niet veel bij tot het begrijpen van het ontstaan van zijn denken. John Henry Newman (1801-1890) vormt hierop een uitzondering.
In zijn bekendste werk (Apologia pro vita sua) beschrijft hij de drie bekeringen in zijn leven. De eerste, in zijn adolescentie, kan gekwalificeerd worden als “niet kerkelijke” bekering, want ze heeft hem niet tot een specifieke christelijke denominatie gebracht. Ze gebeurde nochtans in een “evangelische” context, in een anglicaanse gemeenschap, gemotiveerd door de zorg voor zijn heil.
De tweede bekering vond plaats in Oxford. Zijn studies en zijn gesprekken met zijn collega’s hebben hem ertoe gebracht het bestaan te aanvaarden van een zichtbare en dogmatische kerk, dat wil zeggen een kerk die bewust is dat ze waarheden bezit en onderricht, die afstamt van de Apostelen en die handelt door de sacramenten als kanalen van de goddelijke genade. Newman ontvangt de priesterwijding in de anglicaanse kerk in 1825; hij sluit aan bij de invloedsfeer van de High Church, die dichter bij de katholieke leer staat.
Zijn pastorale ervaring en zijn academisch werk lieten hem zien dat het “liberalisme” diep was geïnfiltreerd in de anglicaanse kerk. Voor Newman beroept het “liberalisme” zich in wezen op de superioriteit van het eigen oordeel boven dat van de kerk. Deze vaststelling doet hem de behoefte voelen om het geloof opnieuw aan te wakkeren en de religieuze praktijk van de leden van de anglicaanse gemeenschap te versterken. Deze uitdaging werd overgenomen door een groep professoren van Oxford (met naam John Keble, Edward Bouverie Pusey en John Henry Newman zelf), die de zogenaamde Oxford Movement of Tractarian movement (allusie op de pamfletten waarin ze hun ideeën publiceerden) lanceerden. Deze beweging begon met John Kebles preek met de titel “De nationale apostasie” uitgesproken in 1833. Vanaf dit jaar tot in 1841 werden 90 pamfletten gepubliceerd, waarvan een derde van de hand van Newman.
In zijn geschriften onderlijnt Newman dat de anglicaanse kerk een tak is van de universele Kerk, in wezen een “via media” tussen Rome en de protestantse reformatie. Volgens hem heeft Rome aan de Kerk van de Apostelen achteraf de devotie toegevoegd — die hij overdreven vindt — voor de Moeder Gods en voor de heiligen, het concept van de transsubstantiatie en de aanspraak van Rome de andere kerken te overheersen. Daarentegen denkt hij dat de hervormers veel dingen verworpen hebben die ze hadden moeten bewaren.
Newman beseft geleidelijk aan dat de “via media”, hoewel een legitieme hypothese, niet meer met de werkelijkheid overeenstemt, want het anglicanisme is protestants geworden. Alhoewel Newman, in tegenstelling tot de meeste anglicanen, geloofde dat men de 39 geloofsartikelen die door de autoriteiten van de anglicaanse kerk opgesteld werden in de 16de eeuw kan begrijpen in de lijn van het Romeins katholicisme, beschouwde hij die artikelen als niets meer dan een stuk papier.
Zijn voorbehoud tegenover de Kerk van Rome belet hem voorlopig om katholiek te worden. Hij moet zich eerst vergewissen van de waarheid van de leerstellingen van Rome. Dit verificatieproces zal uitmonden in de publicatie in 1845 van zijn Essay on the Development of Christian Doctrine, wat hem leidt naar zijn derde bekering.
Het essay over de ontwikkeling van de christelijke doctrine
Voor Newman kon de ware Kerk enkel die van de oorsprong zijn, opgericht door Christus op zijn Apostelen. Hij is ervan overtuigd dat Rome, van alle bestaande kerken, het dichtst bij de apostolische Kerk staat. Maar hij moet nog steeds de verschillen zien te overbruggen die hij waarneemt tussen de vroege Kerk en de Kerk van Rome in zijn tijd.
Dat probleem was niet enkel voor Newman. Het beïnvloedde, min of meer bewust, het katholieke denken van de 19de eeuw en betrof het algemeen probleem van de historiciteit van een doctrine en van een instelling. Hoe kan een realiteit terzelfdertijd evolueren en zichzelf blijven?
Tot Newman waren de antwoorden van de katholieke Kerk eerder pover. Men herleidde de evolutie van de leer tot de evolutie van de taal, of tot de progressieve overgang van het impliciete naar het expliciete (om een ietwat simplistisch voorbeeld te geven: de openbaring heeft nooit verklaard dat Jezus geglimlacht heeft, maar vermits alle mensen op de een of andere dag glimlachen en Jezus een mens is, kan de doctrine verklaren dat hij geglimlacht heeft).
Newman observeert de veranderingen in allerlei doctrines (politieke, filosofische, religieuze, enz.) en past zonder twijfelen dit principe toe op de christelijke leer. Voor hem bezit de Kerk een levend idee van het christendom. De waarheid die ze verkondigt, kent een evolutie in de loop der tijd want de Kerk ziet na elkaar verschillende aspecten van de waarheid, waardoor zij deze in haar vele facetten steeds duidelijker en diepgaander kan uitdrukken. Dit wordt de Levende Traditie genoemd, die haar in staat stelt de steeds nieuwe problemen aan te pakken die zich voordoen: “leven is veranderen”.
Naar analogie met het natuurlijke leven, waagt Newman het zeven kenmerken voor te leggen die onderscheid maken tussen ontwikkeling en verwording van de doctrine: behoud van het type (op dezelfde manier als een volwassen dier dezelfde structuur heeft als bij zijn geboorte, zo mag de ontwikkeling van een doctrine de structuur van de leer niet veranderen), continuïteit van de principes, assimilatievermogen, logisch gevolg, anticipatie van de toekomst, actief behoud van het verleden, duurzame kracht. “Deze zeven kenmerken laten toe (het onderzochte idee) te beschouwen als iets dat zijn eenheid en identiteit bewaard heeft gedurende de hele ontwikkeling”, zal Newman schrijven.
Als historicus wist Newman heel goed dat de geschiedenis geen apodictische (universeel, noodzakelijk waar voor allen) argumenten kan leveren. Hij dacht ook dat historische argumenten sommige personen kunnen overtuigen, maar onvoldoende zijn voor anderen. Hij voegde eraan toe dat hij alleen met zijn eigen brein kon redeneren, en ademen met zijn eigen longen. Op een bepaald ogenblik tijdens het schrijven van An Essay on the Development of Christian Doctrine, in 1845, kwam hij tot de overtuiging dat hij moest intreden in de Katholieke Kerk, wat hij dan ook deed. Eens zijn doel bereikt, liet hij het boek onafgewerkt.
Hoewel het Essay de grote meerderheid van de lezers waarschijnlijk niet zal overtuigen, neemt het toch niet weg dat dit werk op overtuigende wijze de legitimiteit van talrijke leerstellige ontwikkelingen illustreert en per slot van rekening een grote bijdrage levert aan de katholieke theologie door te wijzen op het belang van de geschiedenis in het leven van de Kerk en van haar gedachtengoed, dat wil zeggen heel de kracht van de katholieke Traditie. Newmans eigen levensverhaal bewijst het.
De grammatica van instemming
Vijfentwintig jaar later, als vrucht van een lange meditatie, publiceert John Henry Newman de Grammar of Assent, een raadselachtige titel voor een beslissende bijdrage aan de christelijke gedachte. Het is een omvangrijk, solied en moeilijk samen te vatten essay, dat gaat over epistemologie, theologie, psychologie, enz. en dat denkers als Maurice Blondel, Jean Guitton, Max Scheler, Ludwig Wittgenstein en Joseph Ratzinger beïnvloedde.
Newman wil namelijk uitleggen hoe het mogelijk is om tot zekerheid te komen bij het ontbreken van apodictische argumenten, wat aanleunt bij de problematiek die ter sprake gebracht werd in zijn Essay over de ontwikkeling van de christelijke doctrine.
Voor Newman is de zekerheid een mentale toestand die niet voortkomt uit de passieve indruk van onweerlegbare argumenten, maar uit de actieve erkenning van de waarheid van een stelling. Wie redeneert, is voor zichzelf zijn eigen centrum en er is geen gemeenschappelijke maatstaf voor alle geesten. De uiteindelijke beslissing, de zekerheid, hangt af van wat Newman “de illatieve zin” noemt. De “illatieve zin” heeft betrekking op kennis die voortkomt uit intuïtie, uit directe gevolgtrekking. Men kan hem vergelijken met de zin voor schoonheid in het domein van de kunst. Men kan ook een analogie maken met voorzichtigheid. Voorzichtigheid biedt ons een praktische waarheid — wat we hier en nu moeten doen — die geen enkele andere autoriteit kan bieden. Illatief gevoel bereikt iets soortgelijks voor speculatieve waarheden.
De “illatieve zin” zou toelaten tot een zekerheid te komen en een gegronde instemming te geven op een geheel van redenen, waarvan geen enkel, op zich afzonderlijk beschouwd, noodzakelijkerwijze doorslaggevend is. Deze zekerheid is persoonlijk. Men kan haar niet overdragen aan anderen: Newman noemt deze theorie ‘egotisch’.
Volgen Newman vindt onze “illatieve zin” zijn oorsprong in onze natuur. Hij rijpt door ervaring, door getuigenissen, door de feiten die we waarnemen, enz. Elke redenering wordt impliciet gevoed door onze smaken, onze meningen, onze opvoeding, ons karakter, enz. De universele logica is minder bepalend dan men zou denken op het moment van het smeden van zekerheden.
In godsdienstzaken, voor wat de natuurlijke religie betreft, en dus van de rationele kennis van God en van zijn bestaan, volgt Newman zijn eigen weg, die hij niet wil opdringen aan anderen. De reeks waarschijnlijke redenen die hem persoonlijk overtuigen, berusten op de menselijke natuur, in het bijzonder de realiteit van het geweten, dat de belangrijkste weg tot God is en ons Hem doet kennen als Rechter. Hij steunt ook op het bestaan van de wereld en het vaststellen van de gevallen natuur van de mensheid, van de zonde en ons onvermogen om ons geluk te verzekeren.
Wat de openbaring betreft, ziet Newman het als een uitbreiding van de natuurlijke religie. Hij beschouwt het feit van de openbaring als bewijsbaar, maar niet door onweerlegbare argumenten. Nogmaals steunt hij op een reeks waarschijnlijke redenen. Voordat hij syllogismen presenteert, doet hij liever een beroep op het hart van de mensen.
Het christendom is de aanvulling van de natuurlijke religie, de vervulling van de belofte gedaan aan Mozes en de profeten. Alleen het christendom is in staat de diepe wonden van de menselijke natuur te genezen, en als enige kan het, door het gezag van Christus en de openbaring, het “liberalisme” bestrijden.
De brief aan de Hertog van Norfolk
William Ewart Gladstone, voormalig Brits premier, had het katholicisme scherp bekritiseerd na de verklaring van de onfeilbaarheid van de paus door het eerste Vaticaans Concilie. Voor hem, voor een burger van Groot-Brittannië, zou het aanvaarden van deze onfeilbaarheid een daad van ontrouw aan de staat zijn.
In zijn Letter tot the Duke of Norfolk probeerde John Henry Newman de betekenis en reikwijdte van de pauselijke onfeilbaarheid te verduidelijken. Van deze lange tekst heeft het collectief geheugen de uitdaging bewaard waar Newman voor geplaatst werd, namelijk kiezen voor een toast op de paus of op het geweten: “Ik zal dan met plezier drinken op de paus, maar eerst op mijn geweten, daarna op de paus.” Sommigen hebben snel de conclusie getrokken dat Newman zijn persoonlijke geweten voorrang geeft in een potentieel conflict met de onfeilbare leer van de paus.
Newman maakt in deze brief duidelijk dat het woord “geweten” niet verwijst naar een mening of een gril, maar naar de stem van God die in ons spreekt. Het oordeel van het geweten betreft geen speculatieve doctrines. Het oordeel van het geweten is praktisch: het gaat om wat hier en nu gedaan moet worden, om het goede te doen en het kwade te vermijden. Tenslotte herinnert hij eraan dat de paus in alles wat niet strikt genomen het geloof betreft, niet onfeilbaar is.
Emmanuel Cabello is priester, doctor in de pedagogie en theologie. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.
