Een naam voor kinderen die voor de geboorte overlijden

Geschreven door Alain Tiri op .

Waarom zou men zich verzetten tegen het geven van een naam bij de burgerlijke stand aan kinderen die voor de geboorte overleden zijn? Dit dogmatisme is misplaatst tegenover de rouwende families en de vaders die wachten op erkenning.

 

Onlangs reageerden enkele socialistische verkozenen in de pers verontwaardigd op nieuwe voorschriften die weldra toegepast kunnen worden voor kinderen die tijdens de zwangerschap overleden zijn en ook op een vereenvoudigde erkenning van vaderschap voor ongehuwde vaders. Het gaat om het geven van een naam bij de burgerlijke stand om het rouwproces te vergemakkelijken, en om het toekennen van een symbolische plaats in de maatschappij. Maar in naam van “de strijd tegen elk conservatisme” nodigen zij de maatschappij uit om deze “verschrikkelijke” sociale vooruitgang ten voordele van families te bestrijden… en dat werkt! De MR liep achter hen aan als een hondje. Ik citeer “La Libre” (2 maart, pagina 6) waar Denis Ducarme reageerde: “iedere ontwikkeling die tot doel heeft een geboorteakte voor de foetus op te leveren is uitgesloten”. De MR-volksvertegenwoordiger waarschuwde er tevens voor dat de liberalen “elke nieuwe wetgeving die abortus zou verzwakken” zouden aanvechten.

Een logische inversie

Als informaticus met een filosofische vorming heb ik niet de morele pretentie mij boven deze Cicero’s van de moderne tijd te plaatsen. Toch moet ik bekennen dat mijn absoluut logische geest maar heel weinig aannemelijke argumenten kon ontdekken in deze redeneringen. In feite zie ik er maar één: men wil kunnen abortus plegen. Maar is dat werkelijk een steekhoudend argument? Men kan opmerken dat het niet uitgesproken is met het oog op een wetgevende vooruitgang, maar eerder om een “fundamenteel recht” dat niet in de Universele verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) vermeld wordt te bewaren. Daarin staat echter wel dat alle menselijke wezens dezelfde waardigheid hebben, met inbegrip van de vader gelijk aan de moeder, of als kind los van zijn toestand of zijn leeftijd (preambule). Daarenboven staat in de Universele verklaring van de rechten van het kind dat ieder kind het recht heeft zijn vader en zijn moeder te kennen… (art. 6).

Juridisch formalisme tegenover de realiteit van de vrouwen? Goed. Wat zegt de wetenschap? De biologie zegt dat er een nieuw levend wezen is vanaf het samensmelten van de gameten, dat wil zeggen vanaf het ogenblik waarop de mannelijke zaadcel de eicel van de moeder ontmoet. Dat leert men… in de lagere school. Dus wat zich in de buik van een zwangere vrouw bevindt is het lichaam van een nieuw levend wezen, onderscheiden van de moeder, vermits zijn genetische code uniek is en dat vanaf het begin. Er is dus geen wettelijk uitstel of ouderlijk project nodig om het kind te laten bestaan. Het is daar. De termijn in weken van amenorroe, van het uit de strafrechtelijke sfeer halen van abortus is een willekeurige wettelijke keuze bedacht om een stijging van misbruiken te vermijden, geen beschrijving van de biologische werkelijkheid.

Onze geleerde socialistische en liberale wetenschappers redeneren dus omgekeerd. De eerste kwestie zou dus niet moeten zijn “ik doe wat ik wil!”, en de tweede “hoe ons recht vergroten” maar eerder “hoe het goede doen?”, gevolgd door “gaat het om een menselijk wezen?”

Elk individu heeft recht op leven

Elk individu heeft recht op leven, op vrijheid en op veiligheid van zijn persoon (UVRM, art. 3). Maar men hoort ook: “Dat is een leugen, dit ding kan geen levend wezen zijn zoals wij, anders zouden wij niet meer het recht hebben abortus te plegen zoals wij dat willen”; of “deze erkenning van vaderschap mag niet gebeuren, anders zou dat betekenen dat het om een menselijk wezen gaat” of “die koppels die lijden omwille van een miskraam moeten begrijpen dat ze geen zoontje of dochtertje verloren hebben”. Opnieuw vergeten ze dat het emotioneel argument het slechtste is om zich te beroepen op een recht en ze komen ertoe zich te richten op de eeuwige bijzondere gevallen, altijd dezelfde. Men zou gaan geloven dat het in de meeste abortussen gaat om verkrachte jonge meisjes bij wie de zwangerschap levensgevaarlijk is.

Natuurlijk zou geen enkele vrouw ertoe moeten komen een abortus van haar kind te overwegen en zulk geweld ondergaan! Maar in plaats van een wet van uitzonderingen te idealiseren zou men globale, structurele en inclusieve oplossingen moeten vinden voor elkeen. Overgaan van een minimalistische solidariteit naar broederlijkheid. Een edelmoedige maatschappij worden, daar ligt de nieuwe maatschappelijke strijd, het echte integrale humanisme.

Waarom blijven deze verkozenen hangen in het dogmatisme, zelfs tegenover initiatieven die slachtoffers troost bieden? “Het is een fundamenteel recht” is geen argument, maar een cirkelredenering. In de mening van de ontwerpers van de wet voor depenalisering van abortus, moest deze een zeer uitzonderlijke praktijk blijven (Simone Veil, Redevoering voor de Assemblée nationale, 26-11-1974) en een tijdelijke wetgeving (Vijf jaar in Frankrijk, de tijd om schikkingen voor opvang te regelen: wet nr.75-17 van 17-01-1975, art. 2). “Baas in eigen buik” gaat in tegen elke logica zoals we eerder schreven. Het gaat niet meer om het lichaam van de moeder, maar om het lichaam van het kind in dat van de moeder.

Dood van de gedachte

Wat gebeurt er met onze geachte verdedigers van de rechten van de man en de vrouw wanneer men hen dit alles uitlegt? Men kan hun manier van reageren samenvatten met het concept van Hannah Arendt: de opgeschorte gedachte. Men stopt met nadenken over alles wat het mentale comfort zou kunnen hinderen: “Alles wat van ver of nabij in strijd zou kunnen zijn met het dogma van de abortus, of het nu een wetgevende of economische handeling, een gebaar of een woord, iets goeds of iets slechts is, wat dan ook van waar of onwaar, reëel of denkbeeldig, is uit principe slecht, leugenachtig, altijd conservatief en te bestrijden.”

In de Verenigde Staten onderlijnt de pro-abortus militante Naomi Wolf nochtans hoezeer deze houding van verloochening haar beweging geschaad heeft. De diepe realiteit ontkennen van het ethisch dilemma waaraan deze handeling ons onderwerpt, zegt zij, leidt tot “hardvochtigheid, tot leugen, en tenslotte tot politiek falen”. Van deze hardvochtigheid en schijnheiligheid krijgen we vandaag een goed voorbeeld, met deze ongelooflijk misplaatste uitvallen tegen de rouwende families en de vaders die wachten op erkenning. Onze waarde verkozenen zouden best aangespoord worden naar deze woorden te luisteren.

Deze tekst werd als opiniestuk gepubliceerd in “La Libre Belgique” op 23 maart 2017 onder de titel “Pourquoi refuse-t-on de donner un nom aux enfants décédés durant la grossesse?” Alain Tiri is informaticus, met een filosofische vorming en is bij jong-CDH. Bron: http://www.lalibre.be/debats/opinions/pourquoi-refuse-t-on-de-donner-un-nom-aux-enfants-decedes-durant-la-grossesse-opinion-58d2a6cecd70a15c9a4e6380. Het artikel werd uit het Frans vertaald door Helene en Jos Van Dyck.

Tags: Bioethiek Abortus