Laïciteit en laïciteiten

Geschreven door Benedictus XVI op .

Onlangs maakten enkele politici uit ons land zich zorgen over de weerslag van de benoeming van Monseigneur Léonard op het “Belgisch compromis”en omtrent de verklaringen van Jean-Michel Javaux, co-president van Ecolo, in verband met zijn christelijk geloof.

 

 

Deze reacties doen talrijke vragen rijzen: mag een bisschop zich uitspreken over beslissingen van het parlement? Mag een politicus aanspraak maken op het geloof? Mag de Kerk tussenkomen in het publieke debat?

 

Nu de paus zelf regelmatig het voorwerp is van kritiek —omdat hij de leer van de Kerk over grote maatschappelijke vraagstukken voorhoudt— publiceren we hier een van zijn toespraken, die op deze vragen een antwoord tracht te geven. De toespraak werd gehouden op 9 december 2006 tot de deelnemers aan het Nationaal studiecongres van de Unie van Italiaanse katholieke juristen omtrent het thema “de laïciteit en de laïciteiten”  [1]:

 

Waarde broeders en zusters,

 

(...) Het Congres bespreekt een thema —dat van de laïciteit— dat van groot belang is, want het onderlijnt hoe de laïciteit in de huidige wereld verschillend begrepen wordt: er is niet één enkele, maar er zijn wel meerdere laïciteiten, beter gezegd, er zijn talrijke wijzen om de laïciteit op te vatten en te beleven; ze zijn soms tegengesteld en zelfs in tegenspraak met mekaar. Dat u deze dagen hebt gewijd aan de studie van de laïciteit en de verschillende wijzen om ze te verstaan en te realiseren heeft u gebracht naar de kern van het debat, een debat dat voor de rechtspecialisten meer en meer van nut lijkt te zijn.

 

Om de authentieke zin van de laïciteit te begrijpen en de actuele betekenissen ervan uit te leggen moet men rekening houden met de historische ontwikkeling van dit concept. De laïciteit, ontstaan om de toestand aan te duiden van de gewone christen, die niet behoort tot de clerus of tot de religieuze staat, heeft in de loop van de Middeleeuwen de betekenis gekregen van de tegenstelling tussen de burgerlijke machten en de kerkelijke hiërarchieën en, in de moderne tijd, nam ze de betekenis aan van de verbanning van de godsdienst en zijn symbolen uit het publieke leven, door ze te beperken tot het privé-domein en het gebied van het individuele geweten. Zo werd aan het woord “laïciteit” een ideologische betekenis gegeven die niet strookt met zijn aanvankelijke inhoud.

 

In feite wordt de laïciteit thans algemeen begrepen als de verbanning van de godsdienst uit de diverse gebieden van de maatschappij en als de beperking ervan tot het gebied van het individuele geweten. De laïciteit zou tot uiting komen in de totale scheiding tussen Kerk en Staat; de Kerk kan geen enkele aanspraak maken om tussen te komen inzake themata betreffende het leven en het gedrag van de burgers; de laïciteit zou zelfs de verbanning omvatten van religieuze symbolen uit de openbare plaatsen die bestemd zijn voor de concretisering van de eigen functies van de politieke gemeenschap:  kantoren, scholen, rechtbanken, hospitalen, gevangenissen, enz. Op grond van deze veelvuldige wijzen om de laïciteit op te vatten, spreekt men tegenwoordig van het leken- of vrijzinnig gedachte n goed, de vrijzinnige moraal, de vrijzinnige wetenschap, de vrijzinnige politiek. Aan de basis van deze opvatting bestaat er inderdaad een areligieuze visie van het leven, van het denken en van de moraal, d.w.z. een visie waar er geen ruimte is voor God, voor een Mysterie dat het zuivere verstand overstijgt, voor een morele wet met absolute waarde die altijd en overal geldt. Het is maar wanneer men zich daarvan rekenschap geeft dat men de omvang kan meten van de problemen die vervat zijn in een woord als laïciteit, die bijna het kenmerk schijnt te zijn geworden van de postmoderniteit, in het bijzonder van de moderne democratie.

 

Het is dus een plicht voor alle gelovigen, in het bijzonder van hen die in Christus geloven, ertoe bij te dragen een concept van laïciteit uit te werken dat enerzijds aan God en zijn morele wet, aan Christus en aan zijn Kerk, de plaats toekent die hun toekomt in het individuele en het sociale menselijke leven, en dat anderzijds de “juiste autonomie van het aardse” erkent en eerbiedigt; door deze uitdrukking moet begrepen worden, zoals het Tweede Vaticaans Concilie het herhaalt, dat “de geschapen dingen en de gemeenschappen zelf eigen wetten en waarden bezitten die, door de mens stap voor stap onderkend, moeten worden aangewend en geordend” ( Gaudium et spes , n.36). Deze autonomie is een ten volle gewettigde eis (...): “dit wordt niet alleen gevraagd door de mensen van onze tijd, maar dit stemt ook overeen met de wil van de Schepper. Vanwege het feit immers, dat alle dingen zijn geschapen, hebben ze een eigen bestand met een eigen waarheid en goedheid, hebben ze ook eigen wetten en structuren, waarvoor de mens respect moet hebben, door de eigen methodieken van de verschillende wetenschappen of technieken te erkennen” ( ibidem ). “Maar als men onder autonomie van het tijdelijke verstaat, dat het geschapene niet van God afhankelijk is en dat de mens zich deze zo ten nutte kan maken, dat hij ze niet op de Schepper betrekt, dan voelt iedereen die God erkent aan, hoe bedrieglijk dergelijke ideeën zijn ” .( ibidem )

 

Deze concilie-uitspraak vormt de leerstellige basis van de “gezonde laïciteit” die de effectieve autonomie van de aardse realiteiten inhoudt, niet van de morele orde, maar van het domein van het kerkelijke. Het is dus niet de Kerk die mag aanduiden welke politieke of sociale organisatie men moet verkiezen, maar het is het volk dat vrij moet beslissen omtrent de beste en meest aangepaste wijze om het politieke leven te organiseren. Iedere rechtstreekse tussenkomst van de Kerk op dit gebied zou een ongepaste inmenging zijn. Anderzijds sluit de “gezonde laïciteit” in dat de Staat de godsdienst niet beschouwt als een louter individueel gevoel, dat uitsluitend zou kunnen beperkt worden tot het privé-domein. Integendeel, vermits de godsdienst eveneens in zichtbare structuren is georganiseerd —zoals dat het geval is bij de Kerk—, moet hij erkend worden als een publieke gemeenschappelijke aanwezigheid. Dat houdt dan ook in dat aan iedere godsdienstbelijdenis (op voorwaarde dat ze niet ingaat tegen de morele orde en dat zij geen gevaar is voor de openbare orde), de vrije uitoefening van de cultusactiviteiten —spirituele, culturele, educatieve en caritatieve— van de gelovigengemeenschap moet gewaarborgd worden. In het licht van deze beschouwingen is de vijandigheid tegen iedere vorm van politiek en cultureel belang dat aan de godsdienst toegekend is, en in het bijzonder tegen de aanwezigheid van ieder religieus symbool in de openbare instellingen, zeker geen uitdrukking van laïciteit, maar van haar ontaarding in laïcisme. Zo is ook het recht ontkennen aan de christelijke gemeenschap en aan wie haar op wettige wijze vertegenwoordigen, zich uit te spreken over de morele problemen die vandaag de dag het geweten van alle menselijke wezens, in het bijzonder van de wetgevers en de juristen, bezighoudt, evenmin het teken van een gezonde laïciteit. Het gaat immers niet om een ongepaste inmenging van de Kerk in de wetgevende activiteit, die eigen is en exclusief toebehoort aan de Staat, maar in het bevestigen en het verdedigen van de hoge waarden die zin geven aan het leven van personen en die hun waardigheid beschermen. Deze waarden, vooraleer ze christelijk zijn, zijn menselijk, d.w.z. dat ze de Kerk niet onverschillig en zwijgzaam laten. De Kerk heeft immers de plicht de waarheid over de mens en zijn bestemming met beslistheid te verkondigen.

 

Waarde juristen, wij beleven een boeiende historische periode wegens de vooruitgang die de mensheid heeft gemaakt op talrijke gebieden van het recht, de cultuur, de communicatie, de wetenschap en de technologie. Tegelijkertijd echter bestaat er bij sommigen de poging God uit te sluiten uit alle gebieden van het leven, door Hem voor te stellen als een tegenstander van de mens. Het komt aan ons, christenen, toe te tonen dat God integendeel liefde is en dat Hij het welzijn en het geluk van alle mensen wil. Het is onze plicht duidelijk te maken dat de morele wet die hij Hij ons gegeven heeft en die zich aan ons openbaart door de stem van het geweten, niet bedoeld is om ons te verdrukken, maar wel om ons te bevrijden van het kwaad en ons gelukkig te maken. Het gaat erom te tonen dat zonder God de mens verloren is en dat de verbanning van de godsdienst uit het sociale leven, in het bijzonder de marginalisering van het christendom, de grondvesten zelf van het menselijke samenleven ondermijnt. Vooraleer sociaal en politiek te zijn, behoren deze grondvesten inderdaad tot de morele orde. (...)

 

Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Walter Van Goethem. Op 9-12-14 werden verschillende correcties aangebracht.

 

[1] http://www.vatican.va/holy_father/benedict_xvi/speeches/2006/december/documents/hf_ben_xvi_spe_20061209_giuristi-cattolici_fr.html