Nieuwe manieren om de tegenstander te intimideren (2/2)

Geschreven door Ignacio Aréchaga op .

Wij worden geconfronteerd met een nieuwe orthodoxie, die geen tegenspraak duldt. In dit tweedelig artikel analyseert de auteur de strategieën van de onverdraagzaamheid tegenover het intellectueel debat.

 

Een taboeonderwerp

Een manier om de eigen heerschappij te verdedigen is het weghalen van een thema uit het maatschappelijk debat. Men zou kunnen denken dat in een pluralistische maatschappij iedereen het recht heeft om zijn ideeën naar voren te brengen en ervoor te strijden. Maar neen. Het volstaat te kijken naar de reacties op de pogingen van de Spaanse regering om met dezelfde legitimiteit als eerdere regeringen de abortuswet te wijzigen.

Maar de poging om te veranderen wat ondertussen vastligt, wordt openlijk veroordeeld als een aanslag op de rechten van de vrouw. Men wil niet debatteren over de vraag of de wet aanleiding gaf tot te veel abortussen, of de foetus al dan niet een menselijk wezen is, of hij door de wet beschermd wordt, of er geen andere mogelijkheden zijn om een eventueel belangenconflict op te lossen… Het volstaat te zeggen dat de vrouwen er recht op hebben. De vrouwen die ertegen zijn tellen niet. Abortus wordt zo niet zozeer een recht, dan wel een taboe dat niet meer besproken kan worden.

Over “fobieën” wordt niet gediscussieerd

Een andere uitweg om een debat te vermijden is tegengestelde meningen als “fobieën” te betitelen. Wie deze ondersteunen zijn gestoord, zwakzinnig, wat hen aanzet tot een irrationele reactie. Daarmee is dus met hen geen enkele discussie mogelijk. Een idee herdefiniëren als “fobie” maakt een debat overbodig.

De homobewegingen zijn meesters in deze kunst om te grijpen naar zo’n gemakkelijk hulpmiddel, al zijn ze niet de enigen. Zij hebben het zelfs klaargespeeld wetten tegen “homofobie” te doen goedkeuren, wat op zich al een tegenspraak vormt, want als dit een pathologische fobie is, dan is wie eraan lijdt niet verantwoordelijk voor zijn daden.

De kwalificatie “homofoob” dient echter niet enkel om de kleine radicale groepjes aan te duiden die homoseksuelen beledigen of mishandelen. Ze wordt bij uitbreiding ook ex officio gebruikt om wie zich tegen een voorstel van de homobeweging kant van tevoren te discrediteren. Indien je vindt dat een huwelijk niet hetzelfde is als een homoseksuele verbintenis, indien je meent dat een kind beter kan opgevoed worden door een vader en een moeder dan door een koppel van hetzelfde geslacht, indien je moreel voorbehoud hebt tegen homoseksueel gedrag, dan zullen je ideeën zeer waarschijnlijk als “homofoob” betiteld worden.

Op die manier wordt iedere mogelijkheid tot debat en begrip verhinderd. Het is zoals Frank Furedi schreef: “De systematische weigering de mentale bekwaamheid van tegenstanders ernstig te nemen is het toppunt van bekrompenheid. Als mensen weigeren hun redeneringen openbaar te toetsen onder voorwendsel dat de tegenstanders gedreven worden door “haat” of door “ fobie”, wordt het moeilijk problemen te verduidelijken in debatten en blijft de waarheid verborgen. Zo komen we tenslotte volop terecht in de fobie voor het debat.”

Deze aantijgingen van “fobie” doen Furedi denken aan de manier van werken in de vroegere Sovjetunie, waar sommige dissidenten in psychiatrische klinieken werden opgesloten. In de huidige maatschappij worden ze eerder gestigmatiseerd of sociaal en cultureel op een of andere manier uitgeschakeld. Het is merkwaardig hoe juist diegenen die druk uitoefenden opdat homoseksualiteit niet als een psychiatrische ziekte zou beschouwd worden, vandaag een “fobie” uitvinden die de geestelijke gezondheid van anderen in twijfel trekt.

Gebruik slogans

Een debat bestaat altijd uit argumenten en replieken, nuances en gegevens. Dat is lastig. Men kan zich die arbeid sparen door een slogan te ontwerpen die de houding van de tegenstander demoniseert, en zo de discussie voortijdig afbreekt. Bijvoorbeeld: de poging het beleid van een dienst van de welvaartsstaat (gezondheid, opvoeding) te hervormen door het open te stellen voor concurrentie of door de werkomstandigheden ervan aan te passen kan gediscrediteerd worden door de kreet “privatisering”. Zo wordt de aandacht gericht op de vraag of een onderneming een deel van de markt gaat veroveren en niet op de vraag of de burger beter gediend zal worden, of dat de diensten mogelijk goedkoper zullen worden.

Wanneer men de slogan met de realiteit confronteert, loopt het gewoonlijk slecht af. Bijvoorbeeld: hoewel het gemeenschapsonderwijs altijd in de meerderheid en beter gefinancierd was door de Staat dan het gesubsidieerd privéonderwijs, protesteren de vakbonden dikwijls tegen de “privatisering” van het onderwijs, waarvoor volgens hen, de regering zorgt (nationaal of regionaal, naargelang wie aan de macht is).

Nochtans vertellen de cijfers ons dat het aantal leerlingen in het gemeenschapsonderwijs (in Spanje) op niet-universitair niveau gestegen is van 67,3% van de leerlingen in 2007-08 naar 68,3% in 2012-13. Aan de Spaanse universiteiten daalt het aantal studenten sinds drie jaar, zowel omwille van een vermindering van het aantal jongeren in de bevolking als omwille van de mogelijke effecten van het verhogen van het inschrijfgeld van het gemeenschapsonderwijs. Maar we zien ook dat de privé-universiteiten een veel grotere daling van het aantal studenten ervaren dan de rijksuniversiteiten. Men zou kunnen oproepen tegen een “verstaatsing”!

Een andere manier om de tegenstander te doen zwijgen is hem te bestempelen met een beschrijving die eerder werd uitgevonden om charlatans te diskwalificeren. Zo is er het etiket “negationist”, gewoonlijk gebruikt om diegenen aan te duiden die tegen alle evidentie in de realiteit van de Joodse holocaust verwerpen, en dat gerecycleerd werd om diegenen buiten spel te zetten die twijfelen aan wat men de “klimaatverandering” noemt. Er is zeker geen gebrek aan bewijzen dat het klimaat verandert door de menselijke activiteit maar het is ook zeker dat de opinies uiteenlopen over de omvang van de veranderingen, de gevolgen en de manieren om ermee om te gaan. Maar in plaats van een debat aan te gaan, gaat men ervan uit dat de tegenstander een “negationist” is, iemand die te kwader trouw is, met wie discussiëren nutteloos is.

Je haat me

Een andere variante om de tegenstander tot zwijgen te brengen, zelfs langs strafrechtelijke weg, is zijn woorden als hate speech of als haatdragend discours te bestempelen. De levensstijl van een groep afkeuren of publiek afstand nemen van zijn eisen, zou gelijk zijn aan een kwaadwillig commentaar dat enkel door haatgevoelens kan gemotiveerd zijn. Door zich te beroepen op verschillende motieven — racisme, seksisme, vreemdelingenhaat, homofobie,… — proberen meerdere groepen te verkrijgen dat de Staat niet de handelingen maar de woorden bestraffen die deze groepen als lasterlijk beschouwen.

Bijvoorbeeld: het Lunacek-rapport dat recent in het Europees Parlement werd goedgekeurd als “actieplan van de Europese Unie tegen homofobie en discriminatie omwille van seksuele geaardheid en genderidentiteit” vraagt uitdrukkelijk aan de landen “een strafrecht te hanteren dat aanzetten tot haat omwille van seksuele geaardheid en genderidentiteit verbiedt”.

Dat stelt ons voor het probleem te bepalen wat aanzetten tot haat is, als men dit niet eenvoudigweg wil bepalen met de gevoelens van degene die zich beledigd voelt. Diegenen die het “haatdiscours” willen bestraffen beroepen zich gewoonlijk op de sociale schade veroorzaakt door de uitdrukking van deze racistische, seksistische ideeën… Maar het strafrecht vereist dat een delict welomschreven is. De vrijheid van meningsuiting en geweten, en de mogelijkheid om naar zijn overtuigingen te handelen mogen niet aan banden gelegd worden enkel en alleen om te vermijden dat iemand gestoord wordt door andermans kritiek.

De verdenkingen over de ware intenties van diegenen die zich beroepen op hate speech worden nog sterker wanneer men ziet dat het gewoonlijk om groepen gaat die er geen graten in zien om tegen hun tegenstanders de meest kwaadaardige taal te gebruiken, of die hun toevlucht nemen tot het meest intolerante activisme, zoals de krijgslustige activistes van Femen wanneer zij opkomen voor hun zaak.

Ignacio Aréchaga is directeur van het agentschap Aceprensa. Dit artikel werd gepubliceerd op de site van dit agentschap onder de titel “De manieren om te intimideren. De intolerantie van een nieuwe orthodoxie”. Bron: http:/www.aceprensa.com/articles/modos-de-intimidar. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.

Tags: Maatschappij Communicatie