Draagmoederschap, enorm nadelig voor de baby

Geschreven door Anne Schaub op .

Het draagmoederschap zaait verdeeldheid. Kan men een vrouw vragen haar baarmoeder te “lenen” om het kind van een andere vrouw te dragen? Wij brengen hier een opiniestuk gepubliceerd in La Libre Belgique op 18/19-4-2015.

 

De debatten over het draagmoederschap moeten teruggebracht worden tot de voornaamste belanghebbende: het kind. Welnu, het kind scheiden van degene die het gedurende negen maanden gedragen heeft en aan wie het zich gehecht heeft betekent een traumatische breuk met nefaste bio-psycho-sociale gevolgen voor de rest van het leven.

Sinds meer dan 50 jaar heeft men dankzij het onderzoek in de humane wetenschappen een veel beter begrip van de ontwikkeling en van de zo subtiele en delicate psyche van het kleine kind. Zo is er in het geval van het draagmoederschap reden om zich te verdiepen in het begrip van de hechting en in de grondslagen voor het scheppen van de band van een kleintje met de moeder die het gebaard heeft. Dit om de eventuele schadelijke effecten van de scheiding van de kinderen van hun natuurlijke moeder te evalueren. Van daaruit begrijpen we beter dat de vragen rond het draagmoederschap zich moeten richten op de eerste belanghebbende: de baby.

De publieke debatten over de praktijk van het draagmoederschap zwijgen meestal over het bestaan van een fundamentele band tussen het kind, de biologische moeder en de biologische vader, vanaf de bevruchting en gedurende de negen maanden zwangerschap. Welnu, deze periode is cruciaal voor de relationele grondvesten en de toekomstige psychische en cognitieve vorming van het kleine kind en dat, voor heel zijn leven. Het bestaan van de baby als klein “relationeel” wezen begint bij zijn conceptie!

De neurowetenschappen leren ons dat de amygdala, een kleine kern in de vorm van een amandel die zich in het affectief gedeelte van de hersenen bevindt, werkt als een soort “emotionele geheugenkaart” die de invloeden en de affectieve sfeer gedurende de zwangerschap en ook de omstandigheden rond de geboorte registreert. “De amygdala vergeet niet!” (dr. Guéguen).

Bij het draagmoederschap wordt de familiale cel “ontwricht” aan het begin van zijn vorming. Wij stellen inderdaad een reeks breuken van de relationele bio-psycho-sociale eenheid vast: weg uit de band van het vlees en van de bevruchtende liefde; als het over externe donoren gaat, aanbrengen van vreemd genetisch materiaal — dat zelf drager is van een geschiedenis; embryo’s die in een proefbuisje “gemaakt” werden; verlies en/of bevriezen van “broers en zussen” van het toekomstig kind, zwangerschap in de schoot van een vrouw die een vreemde is voor het kind; vrijwillige scheiding/verlaten van de baby door zijn “geboortemoeder” om het dan over te dragen aan zijn wensouders. Al deze breuken verzwakken onvermijdelijk het kind in het opbouwen van zijn identiteit.

Waar een volwassene, hier een vrouw, kan beslissen zich niet te hechten aan de baby die ze draagt voor iemand anders, kan een embryo, een foetus, een baby dat niet: voor hem is het proces van hechting dat begint vanaf de zwangerschap een natuurlijk biopsychologisch proces met het doel nabijheid, bescherming en veiligheid te zoeken bij de volwassene die het “draagt”.

Vandaar is een kind scheiden van degene die het gedurende negen maanden gedragen heeft en aan wie het zich gehecht heeft, voor het kind een traumatische breuk, een essentieel trauma in zijn ontluikend leven. Ook de “versnipperde” condities waarin een kind verwekt is laten een onuitwisbaar en markant spoor na in de psyche en de psychosociale geschiedenis van de kinderen.

Er is dus wel degelijk sprake van een grote existentiële schade die hen wordt aangedaan. Om nog niet te spreken van het essentiële ontberen van een moeder of een vader in het geval van koppels bestaande uit mannen of vrouwen.

Bij de verschillende soorten kinderleed die ik in mijn professionele praktijk tegengekomen ben, kon ik vaststellen dat achter alle scheidingen, subjectief ervaren in de baarmoeder vanuit omstandigheden die een kind doen geloven dat het niet welkom is (conflicten binnen het koppel, rouw, angstige moeder na een miskraam die vermijdt zich te hechten aan haar baby uit angst het kind weer te verliezen, alle mogelijke soorten stress of eenzaamheid van de moeder die haar kind draagt zonder de ondersteuning van de vader van het kind) steeds weerkerend op de achtergrond de oudste angst van onze mensheid schuilt: de angst om in de steek gelaten te worden. Een klein kind beleeft een enorme verlatingsangst wanneer het de subjectieve indruk heeft zijn moeder te verliezen of wanneer het die werkelijk verliest (objectief).

Het psychisch en intellectueel systeem van het kleine kind is nog niet gewapend met wat men in de psychologie noemt “de bestendigheid van het ik en van het object”. Zo creëert de verwijdering van de geboortemoeder waardoor het kind zich gedurende negen maanden heeft laten doordringen bij het kleintje een stress die vergelijkbaar is met doodsangst. De pasgeborene heeft nog niet voldoende cognitieve maturiteit om op bewuste en beredeneerde manier een situatie van verwijdering van de “moeder” die hij sinds negen maanden kende te begrijpen. Met andere woorden: “Mama dat ben ik en ik ben mama. Als ik mama niet meer zie, niet meer hoor, niet meer voel dicht bij mij, verlies ik het gevoel van mijn bestaan, ik word benauwd en sta doodsangsten uit!”

Draagmoederschap raakt regelrecht de werkelijkheid van de ontluikende wederzijdse band “moeder-kind”, “kind-familie”. De versnippering van de eerste bestaansomstandigheden van kinderen geboren uit draagmoeders heeft voor hen nefaste bio-psycho-sociale gevolgen en dat voor de rest van hun leven. Sterker nog, de invloed van de omstandigheden van hun verwekking zou hun familie en de volgende generaties, alsook de maatschappij in het algemeen kunnen treffen.

Ik spreek hier als woordvoerder voor deze kinderen die geen eigen stem hebben om deze belangrijke aanslag, die welbewust op het begin van hun leven wordt gepleegd, aan te klagen.

Tot slot, als wij ons afwenden van het belang van de kinderen — degenen die eerst betroffen zijn door draagmoederschap — omwille van het belang en het verlangen — lofwaardig, achtenswaardig en te begeleiden — van volwassenen, glijden wij weg naar een maatschappij die medeplichtig wordt aan bepaalde menselijke hersenschimmen die op voorspelbare wijze stoornissen en pathologieën van de binding zullen veroorzaken, die dan weer psychosociaal geweld voor gevolg zullen hebben.

Derhalve moeten we uit het princiep van voorzorg de ontwikkeling van technologieën die draagmoederschap bevorderen aan banden leggen en deze wettelijk verbieden. Het gaat erom de meest kwetsbaren van de maatschappij te verdedigen! En wie is er kwetsbaarder dan het embryo dat van nature, in vertrouwen, is overgeleverd aan het gezond verstand van de volwassenen? Die kleintjes zijn de volwassenen van morgen, en wie weet onze toekomstige bestuurders!

Wie met respect, intelligentie en fijngevoeligheid behandeld werd, zal vermoedelijk de anderen en zijn omgeving met hetzelfde hart, met dezelfde kundigheid en kennis van de mens en van de wereld behandelen.

Anne Schaub is psychotherapeute gespecialiseerd in de analyse en de behandeling van prenatale en psycho-genealogische herinneringen, trauma’s van geboorte en van prille kindertijd. Bron: http://www.lalibre.be/debats/opinions/la-gpa-prejudice-de-taille-pour-le-bebe-5531313b3570fde9b2bfd72f (LLB van 18-19/4/2015). Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Helene Van Dyck.

Tags: Huwelijk Familie Bioethiek